Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten
€ 29.416+
3.Het geding bij de Rechtbank
4.Het geding in cassatie
5.De aftrekregeling op hoofdlijnen
gebruiktworden voor
belaste handelingen. [13] Belasting die drukt op goederen en diensten die worden gebruikt voor – bijvoorbeeld – vrijgestelde prestaties, komt niet voor aftrek in aanmerking. Naar de letter van artikel 168 van Pro de btw-richtlijn is aftrek echter ook niet mogelijk wanneer aangeschafte goederen of diensten nog niet in gebruik worden genomen op het tijdstip waarop het recht op aftrek ontstaat: er is dan immers nog geen sprake van gebruik, laat staan van belast gebruik.
gekocht door een belastingplichtige die als zodanig handelt. Het
daadwerkelijke of voorgenomen gebruik van de goederen of diensten is enkel bepalend voor de omvang van de voorbelastingdie de belastingplichtige krachtens artikel 17 van Pro de Zesde richtlijn mag aftrekken, en voor de omvang van eventuele herzieningen tijdens de daaropvolgende perioden die onder de voorwaarden van artikel 20 van Pro de richtlijn moeten worden verricht. (…)”
degene die voorbelasting wenst af te trekken, moet aantonen dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaanen, inzonderheid, dat hij voldoet aan de criteria om als belastingplichtige te worden aangemerkt. Artikel 4 van Pro de Zesde richtlijn [16] verzet zich er derhalve niet tegen, dat de belastingdienst verlangt dat de wilsverklaring wordt ondersteund door objectieve gegevens (…). Daaruit volgt, dat de administratieve of rechterlijke instantie die zich over het probleem moet uitspreken, alle gegevens moet beoordelen die een bepaald geval kenmerken (…).”
6.De herziening
de herziening gespreid over een periode van vijf jaar, het jaar van verkrijging of vervaardiging der goederen daaronder begrepen. (…).
Voor onroerende investeringsgoederen kan de herzieningsperiode tot maximaal twintig jaar worden verlengd.
dat de bijzondere regeling die in deze richtlijn alleen voor investeringsgoederen is getroffen, haar verklaring en rechtvaardiging vindt in het duurzame gebruik van deze goederen en de dienovereenkomstige afschrijving van de aanschaffingskosten(zie in die zin arrest van 1 februari 1977, Verbond van Nederlandse Ondernemingen, 51/76, Jurispr. blz. 113, punten 12 en 13). Deze beschouwingen zijn van overeenkomstige toepassing op de in artikel 20 van Pro de Zesde richtlijn neergelegde bijzondere regeling voor de herziening van de aftrek voor investeringsgoederen.
de precisie van de aftrek te vergroten om de BTW-neutraliteit te waarborgen, zodat de in het vorige stadium verrichte handelingen slechts recht blijven geven op aftrek voorzover zij worden gebruikt voor verrichtingen die zijn onderworpen aan BTW. Met genoemde regels beoogt deze richtlijn dus
een nauw en rechtstreeks verband te vestigen tussen het recht op aftrek van voorbelasting en het gebruik van de betrokken goederen en diensten voor belaste handelingen.” [27]
lasting’ bij de ondernemer – zou het nog het meest zuiver zijn om de ondernemer onmiddellijk alle initiële belasting in aftrek te laten brengen, en vervolgens aan het eind van elk herzieningsjaar (inclusief dat van aanschaf) telkens voor 1/10e van die aftrek te herzien indien en voor zover in het desbetreffende jaar geen sprake is geweest van ‘aftrekgerechtigd’ gebruik. De richtlijn hanteert echter – vide artikel 187 – een enigszins andere methode. Die methode is in zoverre minder ‘ideaal’ dat de initiële belasting niet onmiddellijk zonder meer volledig voor aftrek in aanmerking komt, maar doet wel recht aan het beginsel van onmiddellijke aftrek, ook al is dat slechts voor zover het investeringsgoed ten tijde van het verschuldigd worden van de belasting, belast wordt gebruikt. Het minder ideale karakter van de herzieningsmethode van artikel 187 van Pro de btw-richtlijn zit hem in het risico dat in eerste instantie – achteraf bezien – te weinig omzetbelasting in aftrek werd gebracht; namelijk wanneer het onroerend goed in eerste instantie niet (geheel) voor aftrekgerechtigde doeleinden wordt gebezigd, en pas in latere jaren (door gewijzigd gebruik) recht op aftrek ontstaat. In die situatie draagt de ondernemer initieel (meer) belasting dan hij op grond van later gebruik zou moeten dragen. Dit laat mijns inziens echter onverlet dat de ratio van de herzieningsregeling gelegen is in een ‘spreiding’ van de initiële belasting waarbij, met het oog op een zo nauwkeurig mogelijke aansluiting van daadwerkelijke aftrek bij het jaarlijkse recht op aftrek, aan elk (herzienings)jaar een deel van de totale voorbelasting moet worden toegerekend. Dat de feitelijke gebruiksduur van het investeringsgoed langer of korter kan zijn dan de in artikel 187 van Pro de btw-richtlijn neergelegde herzieningstermijn doet aan deze ratio mijns inziens niet af.
niet-toegepaste aftrek herzien. Verwezen zij naar punt 42 van het arrest van 30 maart 2006, Uudenkaupungin kaupunki, C-184/04, V-N 2006/18.25 (hierna: arrest Uudenkaupungin):
Aftrek, herziening en leegstand
de wijzigingen in het recht op aftrek die zich in de loop van de volgende jaren ten opzichte van het jaar van verkrijging, vervaardigingof, in voorkomend geval, eerste gebruik van de goederen hebben voorgedaan.”
voorgenomen gebruik van de goederen of diensten bepalendis voor de omvang van de aanvankelijke aftrek waarop de belastingplichtige recht heeft en
voor de omvang van eventuele herzieningen tijdens de daaropvolgende perioden,die onder de voorwaarden van de artikelen 185 tot en met 187 van deze richtlijn moeten worden verricht (...).”
8.Andere benaderingen
gebruik, maar over wijzigingen
in het recht op aftrek. Dat laat de mogelijkheid open dat ook bij andere wijzigingen dan gebruikswijzigingen, herziening aan de orde kan zijn. Tot slot zij hier (nog eens) gewezen op punt 29 van het arrest TETS Haskovo, geciteerd in punt 7.4 van deze conclusie, waaruit ik meen te kunnen afleiden dat in geval van leegstand voorgenomen gebruik ook bij de omvang van herzieningen een rol speelt.