Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel IIIdat de rechtbank in strijd met art. 8 Wet Pro Bopz de verzochte machtiging heeft verleend zonder dat betrokkene persoonlijk door de rechtbank is gehoord, althans dat onbegrijpelijk is waarop het oordeel is gebaseerd dat betrokkene niet bereid was zich te laten horen.
in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken mededeling betrekking heeftmoet worden uitgereikt
in persoonaan degene aan wie in Nederland rechtens de vrijheid is ontnomen. Dezelfde regel geldt in bij AMvB bepaalde gevallen. Art. 2 lid 1 van Pro het Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen [11] schrijft voor dat uitreiking in persoon ook moet geschieden ingeval aan de verdachte een
dagvaarding of oproeping om ter terechtzitting te verschijnenwordt betekend en na raadpleging van de strafrechtsketendatabank blijkt dat aan deze in Nederland rechtens de vrijheid is ontnomen. Een uitzondering is gemaakt voor strafzaken bij de kantonrechter. Hierdoor is het Openbaar Ministerie verplicht om, voorafgaand aan het versturen van een dagvaarding of oproeping in een strafzaak bij de rechtbank, standaard te controleren of de verdachte gedetineerd is. Het voorschrift van art. 588, lid 1 onder a, Sv hangt samen met het recht om geïnformeerd te worden over de beschuldiging, als bedoeld in art. 6, lid 3 onder a, en met art. 6 lid 1 EVRM Pro. In de memorie van toelichting merkte de regering op dat het weinig moeite kost om de strafrechtsketendatabank te raadplegen en “dat, waar het gaat om wettelijke vrijheidsberoving en waar inmiddels een systeem voorhanden is waarin de meeste gedetineerden kunnen worden getraceerd, het redelijk is om van de overheid te verlangen dat zij dat systeem raadpleegt met het oog op de adressering van dagvaardingen” [12] .