AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Geen aftrek van premies voor geëxpireerde putopties bij belastbaar inkomen aanmerkelijk belang
Belanghebbende bezat een fictief aanmerkelijk belang in een vennootschap en had in 2001 en 2002 putopties op zijn aandelen verworven, waarvan de premies betaald werden. Deze putopties zijn vervallen zonder uitoefening. In 2004 verkocht hij een groot deel van zijn aandelenpakket. Het geschil betrof de vraag of de betaalde premies voor de geëxpireerde putopties in mindering mochten worden gebracht op het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang.
De Rechtbank en het Hof verklaarden het beroep van belanghebbende ongegrond. Zij oordeelden dat de wet, de wetsgeschiedenis en de systematiek van de aanmerkelijkbelangregeling uitsluitend koopopties omvatten en dat putopties buiten deze regeling vallen zolang ze niet worden uitgeoefend. Artikel 4.32 Wet IB 2001 regelt specifiek dat premies van putopties alleen als kosten in aanmerking komen indien de optie wordt uitgeoefend.
Belanghebbende voerde aan dat de premies wel aftrekbaar moesten zijn, onder meer op grond van het gelijkheidsbeginsel en artikel 4.15 Wet IB 2001, maar deze stellingen werden verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat het aan de wetgever is om te bepalen welke voordelen tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren en dat de gekozen regeling een legitieme anti-misbruikmaatregel is. De conclusie van de Advocaat-Generaal dat het beroep ongegrond moet worden verklaard, werd gevolgd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat premies voor geëxpireerde putopties niet aftrekbaar zijn van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang.
Voetnoten
1.Inspecteur van de Belastingdienst/[P].
2.Rechtbank Haarlem 30 september 2011, nr. AWB 10/7121, niet gepubliceerd.
3.Hof Amsterdam 28 maart 2013, nr. 11/00842, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9394, NTFR 2013/1379 met commentaar Bitter, V-N 2013/29.1.3. 4.Kamerstukken II 1995/96, 24 761, nr. 3, blz. 15-16, MvT.
5.Kamerstukken II 1995/96, 24 761, nr. B, blz. 21, Advies RvST en NR.
6.Kamerstukken II 1995/96, 24 761, nr. 3, blz. 61, MvT.
7.Commentaar van 14 augustus 1996 van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs aan de griffier van de Vaste Commissie voor Financiën van de Tweede Kamer der Staten Generaal met betrekking tot wetsvoorstel 24 761.
8.Kamerstukken II 1996/97, 24 761, nr. 7, p. 65–66, Nnav.
9.Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 215, MvT.
10.J.C.M. van Sonderen,
11.J.C.M. van Sonderen, Aandelenopties in het (voorgestelde) aanmerkelijk-belangregime, MBB 1996/278.
12.Essers en Van Kempen, Cursus Belastingrecht, (Inkomstenbelasting) 4.6.3.A.b, Vervreemdingsvoordelen.
13.T. Blokland, Herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting, Weekblad voor Fiscaal Recht 1996/1004.
14.J. Doornebal en A.C. Rijkers, Het nieuwe aanmerkelijk-belangregime, Tijdschrift voor Fiscaal Ondernemingsrecht 1996/149.
15.Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Inkomstenbelasting, Aantekening 1.4 Doel en strekking bij: Wet inkomstenbelasting 2001, Artikel 4.4.
16.Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Inkomstenbelasting, Aantekening 2.1 Reguliere voordelen; algemeen bij: Wet inkomstenbelasting 2001, Artikel 4.12.
17.Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Inkomstenbelasting, Aantekening 2.3.1 Kosten tot verwerving inning en behoud bij: Wet inkomstenbelasting 2001, Artikel 4.15.
18.Dit deel correspondeert met het deel van het aandelenpakket dat belanghebbende in 2004 heeft verkocht.
19.Zie onder 4.17.
20.Zie ook onder 4.18, 4.19 en 4.21.
21.Zie onder 4.12 t/m 4.15.
22.Zie ook onder 4.16.
23.Zie onder 4.13 t/m 4.15.
24.Zie onder meer HR 22 november 2013, nr. 13/01622, ECLI:NL:HR:2013:1211, na conclusie A-G IJzerman, BNB 2014/30 m. nt. Happé, NTFR 2013/2326 met commentaar Schols, FED 2014/30 m. nt. Gubbels en FutD 2013/48 met commentaar redactie. Zie ook V-N 2013/59.21 met noot redactie. 25.Zie onder 4.14, 4.18, 4.20 en 4.21.