Conclusie
“poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”en 2.
“medeplegen van witwassen”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van de in het bestreden arrest vermelde in beslag genomen voorwerpen. Ten slotte heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als omschreven in het bestreden arrest.
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat aan het geconstateerde vormverzuim geen rechtsgevolg zal worden verbonden.
“Met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt de raadsman geacht te hebben gepleit overeenkomstig het door zijn confrère mr. Boumanjal aangevoerde in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 3].” Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 3] [1] heeft de verdediging wat betreft het in het middel bedoelde verweer niet meer of anders aangevoerd dan hetgeen ’s hofs samenvatting daarvan in het bestreden arrest in de onderhavige zaak inhoudt. Het hof heeft het gevoerde verweer kennelijk opgevat als een beroep op schending van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv waarin duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in art. 359a Sv genoemde factoren is aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg het vormverzuim dient te leiden. Dat had het hof m.i. niet hoeven doen. Het hof heeft daarmee m.i. onverplicht op het verweer gerespondeerd, nu door de verdediging slechts is gesteld “
dat er op onrechtmatige wijze inbreuk is gemaakt op verdachtes huisrecht en diens privacy, welke inbreuk in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit”, en niet is aangevoerd wat de ernst van het verzuim was en welk nadeel er voor de verdachte is veroorzaakt (bijvoorbeeld in hoeverre zij door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad). [2] In dat opzicht voldoet het beroep op bewijsuitsluiting niet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld, zodat het hof het verweer slechts had kunnen verwerpen.
tweede middelklaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat deze bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed dan wel niet begrijpelijk is.
de verdachte.
2.400 Euro
het enkele feit dat het geldbedrag was verstopt in het kussen van het bankstel, onvoldoende is om te kunnen vaststellen dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geld van enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte hiervan wetenschap had” en voorts dat “
aangezien het hof de verklaring van verdachte aangaande de herkomst van het geld niet als hoogst onwaarschijnlijk heeft gekwalificeerd, doch als niet aannemelijk, het hof de verwerping van deze verklaring deugdelijk had moeten motiveren”.
“ten aanzien van het geldbedrag een voor wat betreft de herkomst niet te verifiëren en mede gelet op de overige omstandigheden dan ook onaannemelijke verklaring heeft afgelegd”. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken herkomst van het geld heeft genoemd, zodat geen noodzaak aanwezig was voor het instellen van nader onderzoek. [5] Dit oordeel is, mede in aanmerking genomen dat het hof met
“de overige omstandigheden”kennelijk (onder meer) heeft gedoeld op de blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgestelde ‘uniforme’ wijze waarop zowel het geld als de sieraden in het bankstel waren verstopt, niet onbegrijpelijk en, anders dan de steller van het middel meent, toereikend gemotiveerd.
dat de verdachte wist, in ieder geval in de zin van voorwaardelijk opzet, dat de aangetroffen goederen die en het aangetroffen geld dat zij en haar mededader voorhanden hadden van misdrijf afkomstig waren”, evenmin onbegrijpelijk.
dat het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde sieraden van misdrijf afkomstig zijn”, belang heeft gehecht aan i) de plaats waar de sieraden zijn aangetroffen, en ii) de omstandigheid dat een aantal sieraden namen bevatten van personen die niet te relateren zijn aan de (mede)verdachte, terwijl deze omstandigheden niet van toepassing zijn op alle sieraden. Een gedeelte van de in de tenlastelegging vermelde sieraden zijn namelijk niet verhuld in een sieradenkistje en gelegen op een nachtkastje aangetroffen, welke sieraden geen namen bevatten van personen die niet te relateren zijn aan de (mede)verdachte. ’s Hofs oordeel is wat deze sieraden betreft dan ook onbegrijpelijk, aldus de stellers van het middel.
nietin een sieradenkistje/sieradendoosje bevonden. Uit de bewijsvoering kan al helemaal niet worden afgeleid dat een aantal van de in de
bewezenverklaringvan feit 2 vermelde sieraden zijn aangetroffen naast een sieradenkistje. Het middel mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag.
Ambtshalvemerk ik nog het volgende op. De verdachte, die zich tijdens de aanzegging in cassatie niet in voorlopige hechtenis bevond, heeft op 27 maart 2012 beroep in cassatie doen instellen. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.