Conclusie
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf weken, waarvan zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
eerste middelklaagt over de strafmotivering.
first offendervoor dit delict is, zodat het kon afwijken van de in de oriëntatiepunten als uitgangpunt neergelegde gevangenisstraf van zes weken.
tweede middelklaagt terecht dat art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden, doordat de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad is overschreden. Het verzuim dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad te leiden tot strafvermindering.