AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Aftrekbaarheid van erfpachtcanons bij verkoop bloot eigendom en terugkoopoptie
Belanghebbende verkocht de bloot eigendom van de grond waarop zijn eigen woning staat aan een bank en verplichtte zich tot betaling van erfpachtcanons, die gedurende tien jaar circa € 90.000 per jaar bedroegen en daarna eeuwigdurend circa € 18.000 per jaar. De bank had een recht tot terugkoop van de grond tegen contractueel vastgelegde prijzen.
Het geschil betrof de vraag of de betaalde erfpachtcanons aftrekbaar zijn als kosten van de eigen woning volgens artikel 3.120, lid 1, sub b van de Wet IB 2001. Het hof oordeelde dat de overeenkomst fiscaal gelijkgesteld moet worden aan een annuïteitenlening, waarbij alleen het rentebestanddeel aftrekbaar is. Omdat belanghebbende niet aannemelijk maakte dat een deel van de koopsom was aangewend voor de eigen woning, wees het hof de aftrek van het rentebestanddeel af.
De Hoge Raad bevestigt dat de fiscale kwalificatie kan afwijken van de civielrechtelijke vorm indien de fiscale gevolgen onaanvaardbaar zijn. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest omdat het hof ten onrechte aannam dat geen erfpacht- en opstalrecht tot stand zijn gekomen en oordeelt dat het rentebestanddeel in de canon aftrekbaar is. De zaak wordt zelf afgedaan met vaststelling van het belastbaar inkomen.
De uitspraak benadrukt dat de wetgever de erfpachtcanon gelijkstelt aan hypotheekrente en dat alleen het rentebestanddeel aftrekbaar is. De volledige aftrekbaarheid van een canon met een aflossingsbestanddeel is in strijd met de strekking van de wet. De terugkoopoptie en de wijze van berekening van de canon maken dat de canon economisch een annuïteitenlening is.
De zaak bevat uitgebreide analyse van de feiten, de fiscale regelgeving, de parlementaire geschiedenis en de fiscale kwalificatie van de overeenkomst, waarbij ook de mogelijkheid van herkwalificatie wordt besproken. De Hoge Raad volgt de conclusie van de Advocaat-Generaal dat het rentebestanddeel aftrekbaar is en vernietigt het hofarrest.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat het rentebestanddeel van de erfpachtcanon aftrekbaar is en vernietigt het arrest van het hof.
Voetnoten
1.Inspecteur van de Belastingdienst/[P].
3.Hof Amsterdam 23 mei 2013, nr. 11/00887 (niet gepubliceerd).
4.Het komt mij voor dat het Hof hier een vergissing heeft gemaakt en dat, evenals bij onderdeel 2.7, de maanden augustus – november 2005 zijn bedoeld.
5.Het Hof zal hier bedoeld hebben: na augustus 2015.
6.Naar het mij voorkomt heeft het Hof hier een onjuist bedrag vermeld. Deze mening ben ik mede toegedaan vanwege het feit dat in de vergelijkbare zaak Hof Amsterdam 2 mei 2013, nrs. 12/00419, 12/00420 en 12/00421 door de betreffende belanghebbende exact hetzelfde belastbaar inkomen in box 1 in het jaar 2006 is aangegeven.
7.Zie de artikelen 8 en 9 van de basisovereenkomst in de door het Hof vastgestelde feiten.
8.Zie onderdeel 2.8 van de uitspraak van het Hof.
9.Hoge Raad 15 december 1999, nr. 33830, ECLI:NL:HR:1999:AA3862, BNB 2000/126 m. nt. Van Dijck, V-N 1999/58.15 m. nt. Red., NTFR 2000/22 m. nt. Alink, FED 1999/765, WFR 1999/1786, PW 2000/21208, PJ 2000/29 m. nt. H.M. Kappelle. 10.Literatuur omtrent het onderscheid tussen fiscale kwalificatie en herkwalificatie: R.L.H. IJzerman, Over fraus legis, herkwalificatie en het motiefvereiste in: Van Brunschot-bundel: De grote lijn, Deventer: Kluwer 2006, blz. 75-80; R.L.H. IJzerman, Het leerstuk van de wetsontduiking in het belastingrecht, Deventer: Kluwer 1991, blz. 67-69; de conclusie van A-G Wattel voor Hoge Raad 15 juni 2012, nr. 11/02194, ECLI:NL:HR:2012:BV1922, BNB 2012/239 m. nt. J.C. van Straaten, V-N 2012/19.26 m. nt. Red., V-N 2012/39.15 m. nt. Red., NTFR 2012/1632 m. nt. Rozendal, FED 2012/83 m. nt. J.W. Zwemmer; M. Mees, Zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie als alternatief antimisbruikwapen, Tijdschrift Formeel Belastingrecht 2012/06. 11.Zie over dit oordeel van het Hof N.M. Ligthart en H.K. Nijkamp, Erfpacht- en opstalrechten in de eigenwoningregeling civiel en fiscaal bezien, WFR 2014/246, onderdeel 3.2 en Erfpacht fiscaal gekwalificeerd als annuïtaire geldlening, Fiscaal up to Date 2013/21.
12.L.B. Uittenbogaard en J.P. Traudes schrijven in het rapport ‘Canonpercentages ‘Het vaststellen van canonpercentages bij de herziening van erfpachtcontracten’’ van juli 2003 op pagina 4 dat de canon wordt gezien als de vergoeding voor de financiering van de grond, de administratiekosten en het financiële risico.
13.Zo vermeldt de website www.amsterdam.nl (laatstelijk geraadpleegd op 2 mei 2014) in de rubriek ‘veelgevraagd’ bij de vraag ‘Hoe wordt de hoogte van de canon vastgesteld?’ het volgende: ‘De canon is de grondwaarde van de kale grond onder uw woning, vermenigvuldigd met het zogeheten canonpercentage. Dat percentage stijgt of daalt met de rente op de kapitaalmarkt.’ De algemene voorwaarden voor de uitgifte in erfpacht van grond in de gemeente Terneuzen op de website www.terneuzen.nl (laatstelijk geraadpleegd op 2 mei 2014) vermelden in artikel 2.14, sub b: ‘Aanpassing van de canon geschiedt door de gemiddelde marktrente van het laatste jaar van elke herzieningsperiode, verhoogd met een opslag van 1% ter dekking van de administratiekosten, te vermenigvuldigen met de getaxeerde marktwaarde van het perceel. (...)’
14.Uit de onderdelen 2.14 en 2.15 van de uitspraak van het Hof volgt overigens dat belanghebbende in 2012 de blote eigendom van de grond tegen betaling van de optiekoopprijs van de bank heeft teruggekocht waarmee het erfpachtrecht en het opstalrecht zijn komen te vervallen.
15.Tussen belanghebbende en de Inspecteur stond vast dat € 620.000 van de koopsom ad € 800.000 niet was aangewend ter verwerving, verbetering of het onderhoud van de eigen woning van belanghebbende. Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat het resterende deel ad € 180.000 van de koopsom door hem was besteed ten behoeve van de eigen woning.