Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
voor zover het gaat om de verplichting effectieve wettelijke maatregelen te nemen tegen blootstelling aan tabaksrook in“
indoor public places” (rov. 2.8, cursivering toegevoegd). Het hof was van oordeel dat de uitzondering voor kleine café’s in strijd is met deze verdragsverplichting. Het hof overwoog:
2.Toepasselijke regelgeving
WHO Framework Convention on Tobacco Controlof
FCTC, hierna kortweg: WHO Kaderverdrag) is in 2003 tot stand gekomen [15] . Nederland is partij bij dit verdrag [16] . Blijkens artikel 3 heeft Pro dit verdrag ten doel huidige en toekomstige generaties te beschermen tegen de verwoestende gezondheidseffecten en sociale, milieu- en economische gevolgen van tabaksconsumptie en blootstelling aan tabaksrook. Het verdrag beoogt een kader te bieden voor maatregelen ten behoeve van ontmoediging van tabak die door de Partijen bij dit verdrag op nationaal, regionaal en internationaal niveau moeten worden uitgevoerd om het wijdverbreide tabaksgebruik en de blootstelling aan tabaksrook permanent en substantieel te verminderen.
Guidelines on Protection from Exposure to Tobacco Smoke, maken geen deel uit van het WHO Kaderverdrag. Zij kunnen − binnen de grenzen van art. 31 - 33 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (Trb. 1985/79) − de rechter wel tot steun zijn bij zijn uitleg van het verdrag. Voor dit geding zijn vooral van belang:
Principle 1
Principles:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
self executing’of als: ‘rechtstreeks werkend’. In art. 93 en Pro 94 Gw gaat het om verdragsbepalingen die naar hun bewoordingen, aard en strekking zich lenen voor een rechtstreekse toepassing door de rechter in een concreet geschil [30] . Een voorbeeld hiervan zijn fundamentele rechten van de mens, die in mensenrechtenverdragen aan burgers zijn toegekend. Daartegenover staan bepalingen waarin de verdragsluitende staten zich jegens elkaar verbinden tot een bepaalde prestatie (zoals bijvoorbeeld een overeenkomst tot het terugdringen van de kooldioxyde-uitstoot tot een bepaald gehalte op een bepaalde peildatum). Zo’n verdragsbepaling kan niet rechtstreeks in de nationale rechtsorde worden toegepast als een recht of een verplichting van burgers, zonder dat eerst de tussenstap is gezet van omzetting van de verdragsnorm in nationale wetgeving.
indoor public places”) [43] effectieve wettelijke maatregelen tegen blootstelling aan tabaksrook van kracht te doen zijn. Daarbij gaat het hof klaarblijkelijk ervan uit dat in dit geval maar één effectieve maatregel mogelijk is, te weten: een wettelijk rookverbod voor
indoor public places.
onder 1.1dat het hof in deze overwegingen uitgaat van een onjuist startpunt: het hof heeft, in het bijzonder aan het slot van rov. 2.4, miskend dat voor beantwoording van de vraag of aan art. 8 lid 2 WHO Pro Kaderverdrag rechtstreekse werking in de Nederlandse rechtsorde toekomt niet relevant is of dit artikel het te bereiken
resultaatop een duidelijke en onvoorwaardelijke wijze voorschrijft. Relevant is: of artikel 8 zélf voldoende nauwkeurig is omschreven en geschikt is voor rechtstreekse toepassing door de nationale rechter.
indoor public places ’bescherming bieden tegen blootstelling aan tabaksrook) maar op één manier kan worden bereikt, te weten door middel van een wettelijk rookverbod zonder de in de omstreden AMvB opgenomen uitzondering. Om deze reden bespreek ik ook de overige klachten.
onder 1.2, samengevat, dat het hof heeft miskend dat art. 8 lid 2 WHO Pro Kaderverdrag niet voldoende nauwkeurig is omschreven en niet geschikt is voor een rechtstreekse toepassing door de rechter. Volgens de toelichting op deze klacht laat deze verdragsbepaling de verdragsstaten ruimte om te kiezen welke doeltreffende wetgevende, uitvoerende, bestuursrechtelijke of andersoortige maatregelen zullen worden genomen om blootstelling aan tabaksrook tegen te gaan. Hetzelfde geldt ten aanzien van de keuze van een specifieke maatregel (hier: een rookverbod), omdat het Verdrag niet omschrijft welke maatregelen ‘doeltreffend’ zijn, noch wanneer dat het geval is. Anders dan het hof in rov. 2.5 overweegt, leidt de in het Besluit gemaakte uitzondering voor kleine café’s zonder personeel volgens de Staat niet noodzakelijk ertoe dat rokers en niet-rokers zich in dezelfde ruimte bevinden of dat er geen sprake is van bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook, zoals het hof in rov. 2.9 overweegt. De Staat stelt dat hij andere doeltreffende maatregelen kan nemen dan een rookverbod. Als voorbeeld van zo’n maatregel wijst de toelichting op de wettelijke verplichting die op exploitanten van kleine café’s is gelegd om, op een bord bij de deur, kenbaar voor bezoekers aan te geven of binnen al dan niet mag worden gerookt [44] .
indoor public placesvan roken te onthouden. Ook legt deze verdragsbepaling geen verplichting op eigenaren of exploitanten van
indoor public placeszoals café’s. Deze verdragsbepaling legt uitsluitend een verplichting op de staten die partij zijn bij het verdrag. De tekst van art. 8 lid 2 WHO Pro Kaderverdrag maakt geen melding van een verplichting van staten om een wettelijk rookverbod in te voeren, zelfs niet een rookverbod dat zich beperkt tot
‘indoor public places’. Kennelijk konden de verdragsluitende partijen daarover geen overeenstemming bereiken. Wel is duidelijk dat een wettelijk rookverbod, mits gehandhaafd, een doeltreffende maatregel als bedoeld in art. 8 lid 2 kan Pro zijn. Beoordeeld naar de tekst van de bepaling, heeft de Staat uiteenlopende mogelijkheden om aan deze verdragsverplichting te voldoen.
health, social, economic and environmental consequences of tobacco consumption and exposure to tobacco smoke”, maar laat de keuze van de daartoe in te zetten maatregel of maatregelen in het midden: art. 8 lid 2 spreekt Pro van wetgevende, uitvoerende, bestuurlijke of andere maatregelen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een strafbepaling die het roken verbiedt, maar ook om een vergunningsvoorwaarde voor de exploitatie of om maatregelen van feitelijke/technische aard. Dat de invoering van een rookverbod voor
indoor public places, gerekend moet worden tot het voorwerp of het doel van het verdrag, blijkt niet uit de preambule, noch uit een protocol of enige verklaring van deze strekking bij de totstandkoming van het WHO Kaderverdrag. De omstandigheid dat het gaat om een kaderverdrag (
Framework Convention) wijst in de richting van het tegendeel. Het verdrag beoogt de door de verdragsstaten te nemen nationale maatregelen op elkaar af te stemmen.
Guidelines) van de Conferentie van Partijen bij het WHO Kaderverdrag; deze zijn aangehaald in alinea 2.10 hiervoor. De
Guidelinesgaan inderdaad verder dan waartoe de tekst en de context van art. 8 lid 2 WHO Pro Kaderverdrag de verdragsstaten verplichten: volgens de
Guidelineszijn maatregelen van technische aard, zoals een afzuiginstallatie of een afgescheiden rokershoek, niet toereikend om bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook te bewerkstelligen. Ook de mogelijkheid dat potentiële rokers worden aangespoord om zich vrijwillig te onthouden van het roken in
indoor public placeswordt in de
Guidelinesaangemerkt als een niet toereikende maatregel. Redenerend volgens de
Guidelinesblijft er inderdaad niet veel anders over dan een wettelijk rookverbod voor alle
indoor public placesmet inbegrip van de kleine café’s. Voor de termijn waarop een dergelijk verbod zou moeten worden ingevoerd, geven de
Guidelineseen aanbeveling (5 jaar). Een termijn van vijf jaar is ook terug te vinden in de meergenoemde Aanbevelingen van de Raad van de Europese Unie.
uitvoeringvan de bepalingen van deze artikelen. Dit betekent niet dat de Conferentie van de Partijen met uitsluiting van anderen is belast met de
uitlegvan het WHO Kaderverdrag [46] . In de taakomschrijving van de Conferentie in art. 23 WHO Pro Kaderverdrag is wel opgenomen dat zij toeziet op de uitvoering van het verdrag door de verdragsstaten [47] . In de
Guidelinesvan de Conferentie van de Partijen kan slechts een aanbeveling worden gelezen, gericht tot de verdragsstaten. Een dergelijke aanbeveling is naar haar aard gezaghebbend, maar niet juridisch bindend voor de verdragsstaten.
indoor public places− de afschaffing van het tot 6 juli 2011 voor kleine café’s bestaande rookverbod in ieder geval een stap in de verkeerde richting is, die niet te verenigen is met een getrouwe uitvoering van het verdrag. Het hof heeft zich door dit argument laten overtuigen. In rov. 2.9 heeft het hof mede in aanmerking genomen dat het hier niet gaat om een tijdelijke uitzondering die, bijvoorbeeld bij wege van overgangsmaatregel, als onderdeel van een geleidelijke implementatie is gemaakt, maar om het terugdraaien van een beschermingsmaatregel die al sinds 2008 van kracht was.
Onder 1.5volgt een hiermee verband houdende motiveringsklacht. Hierbij sluit aan de klacht
onder 1.6, dat het hof in rov. 2.5 heeft miskend dat art. 8 WHO Pro Kaderverdrag niet een absolute verplichting behelst om blootstelling aan tabaksrook in
‘indoor public places’te voorkomen, doch slechts een verplichting om blootstelling aan tabaksrook (de Staat vult aan: zoveel mogelijk) tegen te gaan. Deze klachten worden gezamenlijk besproken.
ongewensteblootstelling aan tabaksrook. Door het bord naast de deur kunnen bezoekers zelf een keuze maken of zij zich al dan niet willen blootstellen aan tabaksrook. Deze middelonderdelen hebben in wezen van doen met de uitleg van art. 8 lid 2 WHO Pro Kaderverdrag: gaat het in dat artikellid alleen om bescherming tegen
ongewensteblootstelling aan tabaksrook − dan zouden de belangen van de rokers in het café prevaleren boven die van de niet-rokers die zich door het waarschuwingsbord van een bezoek aan dat café laten weerhouden − of moeten de verdragsstaten maatregelen (doen) treffen om in
indoor public placesbescherming tegen blootstelling aan tabaksrook te bieden, ongeacht of potentiële bezoekers zelf aan die bescherming behoefte hebben? Het komt mij voor dat deze klachten falen. Het begrip ‘public places’ in art. 8 lid 2 WHO Pro Kaderverdrag veronderstelt dat de ruimte voor een ieder toegankelijk is. Ook een fictieve nationale maatregel, bijvoorbeeld, die de exploitanten van café’s zou verplichten om niet rokende bezoekers het café uit te zetten zodra iemand binnen een sigaret opsteekt, voorkomt feitelijk secundaire blootstelling aan tabaksrook, maar vormt niet een doeltreffende bescherming in de zin van deze verdragsbepaling. Beschermd moeten worden: allen die gebruik maken of willen maken van hun recht de voor het publiek toegankelijke ruimte te betreden.
onder 1.7verband. Deze rechtsklacht houdt in dat, ook indien het begrip ‘
indoor public places’in art. 8 lid 2 WHO Pro Kaderverdrag duidelijk is, zoals het hof in rov. 2.6 aanneemt, die omstandigheid niet afdoet aan de beleidsvrijheid van de Staat ten aanzien van door hem te nemen maatregelen. Deze klacht is gegrond om dezelfde redenen als de klacht onder 1.2. Veronderstellenderwijs aannemend − met het hof − dat een door de Staat getroffen maatregel eerst doeltreffend kan zijn wanneer in
indoor public placesgedurende de openingstijden de daar aanwezige personen niet mogen worden blootgesteld aan tabaksrook, gaat het om een maatregel tot het nemen waarvan de Staat zich heeft verplicht jegens de andere verdragsstaten. Daarmee is nog niet gegeven dat art. 8 lid 2 een Pro een ieder verbindende bepaling is en rechtstreeks door CAN kan worden ingeroepen
.Onderdeel 2, dat alleen op het vorige middelonderdeel voortbouwt, behoeft geen zelfstandige bespreking.
onder 3.1houdt in dat, óók indien in cassatie uitgangspunt zou moeten zijn dat art. 8 lid 2 WHO Pro Kaderverdrag is aan te merken als een ‘een ieder verbindende’ bepaling, het hof heeft miskend dat artikel 8 lid 2 niet Pro noopt tot het onverbindend verklaren van het omstreden Besluit. Ter toelichting op deze klacht wijst de Staat erop dat mogelijk is dat hij andere doeltreffende maatregelen treft en langs die weg voldoet aan hetgeen artikel 8 lid 2 van Pro hem vraagt. Het middelonderdeel herhaalt de klacht van onderdeel 1.6, dat artikel 8 lid 2 niet Pro een absolute verplichting behelst om blootstelling aan tabaksrook in
indoor public placeste voorkomen. De klacht
onder 3.2sluit hierbij aan: zelfs als zou moeten worden aangenomen dat artikel 8 lid 2 om Pro een wettelijke maatregel vergt, is de Staat vrij in de keuze van die wettelijke maatregel. De Staat heeft gekozen voor een wettelijke maatregel waarin een bord naast de deur van het café is voorgeschreven waarop staat aangegeven of binnen wel of niet mag worden gerookt.
Onder 3.3bevat het middel een hiermee verband houdende motiveringsklacht.