Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het middel
aanvulling of correctievan het proces-verbaal. Immers hebben beide partijen daarop aangedrongen. De stelling is evenwel onjuist voor zover het gaat om nadere beschouwingen ten gronde; zie de brief van mr. Zee van 13 mei 2013 met name de vierde alinea.
onderdeel 1.7een klacht bedoelt te ventileren, inhoudend dat het Hof in rov. 8 niet heeft onderkend dat het bedrag van € 15.000 betrekking had op elf aandelen, mist het onderdeel feitelijke grondslag. In de beoogde overweging wordt uitdrukkelijk gesproken van ‘de elf aandelen’.
eerdereprocedure. Voor zover daarvan sprake was, had het op de weg van [eiser] gelegen om daar in die procedure een punt van te maken. Thans gaat niet om die eerdere, maar om de huidige procedure; in deze laatste (de huidige) procedure kan het slechts gaan om een eerst
later ontdektbedrog. [3]
“aanwijzing”dat sprake is van bedrog.
onderdeel 5heeft het Hof ten onrechte niet gereageerd op een door [eiser] gedaan beroep op art. 6 lid 1 EVRM Pro. Een dergelijk beroep zou besloten liggen in de brief van 8 mei 2013 en de daarbij overgelegde comparitieaantekeningen en voorts in de akte die de door het Hof verworpen provisionele vordering ex art. 223 Rv Pro. bevat.
vorige procedureheeft geoordeeld. Bezwaren daartegen hadden, behoudens later aan het licht gekomen bedrog, in het vorige cassatieberoep aan de orde moeten worden gesteld.