Conclusie
middelklaagt dat het Hof de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Parket bij de Hoge Raad
Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft verdachte veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf wegens meermalen gepleegde ontucht met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige tussen 1990 en 1991. Verdachte stelde cassatieberoep in met als middel dat het bewijs onvoldoende was omdat het uitsluitend steunde op de verklaring van één getuige.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat volgens art. 342, tweede lid, Sv het bewijs niet uitsluitend op één getuige mag steunen, tenzij die verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. In deze zaak is het oordeel van het hof dat aan het bewijsminimum is voldaan niet onbegrijpelijk. Het steunbewijs bestaat uit verklaringen van vriendinnen van het slachtoffer, dagboekaantekeningen van het slachtoffer en een verklaring van verdachte zelf waarin hij bevestigt vaak op het slachtoffer te hebben gepast en kennis had van pornoboekjes die bij het misbruik ter hand werden genomen.
Het hof heeft uitvoerig de betrouwbaarheid van het slachtoffer onderzocht en heeft het bewijs zorgvuldig afgewogen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet gehouden was om in een afzonderlijke overweging het steunbewijs nader te motiveren omdat geen sprake was van een grensgeval. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor ontucht met een minderjarige en verwerpt het cassatieberoep wegens voldoende steunbewijs.