Conclusie
[verdachte]
eerste middelis gericht tegen de toewijzing door het Hof van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging. Blijkens de vordering wijziging tenlastelegging, zoals aangehecht aan het proces-verbaal van de zitting van 25 september 2012, is aan de op een veroordeling ter zake van art. 240b Sr gerichte tenlastelegging een subsidiair toegevoegd gericht op en veroordeling ter zake van art. 139f Sr (huiselijk gezegd het gebruik van een verborgen camera in een woning). Reeds omdat niet in valt in te zien welk belang verdachte heeft bij cassatie nu de veroordeling immers ziet op het primair tenlastegelegde faalt het middel. Ik volsta voorts met op te merken dat –zoals de steller van het middel kennelijk eveneens van oordeel is- de gedraging (het feitencomplex) hier identiek is en het verschil dus moet worden gezocht in de juridische aard van de feiten. [1] Er bestaat onmiskenbaar enig verschil in de wettelijke rubricering en het strafmaximum tussen enerzijds art. 240b Sr als misdrijf tegen de zeden met een strafmaximum van vier jaar gevangenisstraf en anderzijds art. 139f Sr als misdrijf tegen de openbare orde met een strafmaximum van zes maanden gevangenisstraf. Dat verschil is echter niet zo groot dat niet meer kan worden gesproken van hetzelfde feit. Dat is ook het oordeel van het Hof dat in dit verband heeft overwogen “dat de strekking van de bepaling die wordt toegevoegd, niet dusdanig anders is dat sprake is van een ander feit. In dat kader overweegt het hof dat er een overlap is in beschermd belang.” Dat laatste begrijp ik zo dat het Hof meent dat de wetgever de bescherming van bepaalde belangen of rechtsgoederen zowel beoogt te realiseren door strafbaarstelling via de weg van art. 139f Sr als via de weg van art. 240b Sr. Het te beschermen belang bij art. 139f Sr is de persoonlijke levenssfeer, terwijl bij art. 240b Sr het tegengaan van seksueel misbruik van jeugdigen en de exploitatie daarvan voorop staat. Onder dat laatste kan echter tevens onder omstandigheden worden begrepen de bescherming van de persoonlijke, seksuele levenssfeer van de jeugdige. In die zin is dus van ‘een’ overlapping sprake. Immers zowel bij art. 139f Sr als bij 240b Sr kan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het geding zijn. Als ik de steller van het middel goed begrijp, acht hij een dergelijke overlap uitgesloten gelet op HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5254, NJ 2012/504 m.nt. Keulen. Het heimelijk fotograferen van een ontklede persoon in een badhokje levert in de bewoordingen van de Hoge Raad “op zich zelf niet-tevens- een ontuchtig handeling op in de zin van art. 246 Sr Pro.” Inderdaad levert het heimelijk filmen van een douchende jongen ook op zich zelf nog geen gedraging op die seksueel misbruik of exploitatie daarvan bevordert. De Hoge Raad beperkt de conclusie niet voor niets met de woorden ‘op zich zelf’ en dat betekent mijns inziens dat het afhankelijk van de omstandigheden niet uitgesloten is en dat dus enige overlap wel mogelijk is.
eerste middelfaalt niet alleen wegens gebrek aan belang, maar ook om inhoudelijke redenen.
tweede middelbehelst de klacht dat het oordeel van het Hof dat op de afbeeldingen ‘seksuele gedragingen’ zichtbaar zijn, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
derde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
derde middeltreft dus doel.
bij de Hoge Raad der Nederlanden