Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het procesverloop
3.Geding in feitelijke instantie
4.Het geding in cassatie
5.Beschouwing
dat vooraf wordt vastgesteld dat de betrokken activiteit een economische activiteit is. (…).
voor alle in artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn genoemde werkzaamheden. Bijgevolg is er, in het algemeen, sprake van een economische activiteit wanneer de activiteit duurzaam is en daarvoor een vergoeding wordt betaald aan de persoon die deze verricht(…).”
over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding
de werkelijke tegenwaardevormt voor de aan de ontvanger verleende dienst.”
the value actually given in returnfor the service supplied (…)”.
constituant la contre-valeur effectivedu service fourni au bénéficiaire”.
overeengekomenwaarde, die heel goed lager of hoger kan zijn dan de werkelijke waarde in de zin van marktwaarde. Dit vloeit reeds voort uit het karakter van de omzetbelasting als belasting die het consumptieve verbruik beoogt te treffen. Om met de Europese Commissie (hierna: Commissie) te spreken: [23]
, maar zij heeft deze bewering geenszins onderbouwd en geen enkel bewijs voor een dergelijk rechtstreeks verband overgelegd, ondanks het feit vooral dat voor de bepaling van die bijdrage rekening wordt gehouden met de hoogte van het inkomen en het vermogen van de ontvangers.Volgens vaste rechtspraak staat het in een niet-nakomingsprocedure krachtens artikel 226 EG Pro [28] echter aan de Commissie, de gestelde niet-nakoming aan te tonen. Zij moet het Hof de informatie verschaffen die dit nodig heeft om te kunnen vaststellen, of er inderdaad sprake is van deze niet-nakoming, en kan zich daarbij niet baseren op een of ander vermoeden (zie onder meer arrest van 26 april 2005, Commissie/Ierland, C‑494/01, Jurispr. blz. I‑3331, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
niet gratis en dus niet zonder enige tegenprestatie worden verricht, aangezien de ontvangers van die diensten een retributie aan de openbare bureaus moeten betalen.”
retributie’op. Dit suggereert dat het HvJ het oog heeft op een heffing (zie ook punt 38 van de Nederlandse versie van het arrest waarin de term ‘heffing’ wordt gebezigd). Ik meen evenwel dat aan de term ‘retributie’ hier geen bijzondere betekenis moet worden toegekend. Naar ik veronderstel betreft het een onzuiverheid in de vertaling van – vermoedelijk – de Franse tekst van het arrest, waarin in punt 46 de term ‘rétribution’ wordt gehanteerd. Deze Franse term duidt evenwel (ook) op ‘betaling’, in welke betekenis zij hier mijns inziens bedoeld moet zijn, als ik de Engelse en Duitse tekst van de overweging in aanmerking neem. Daarin wordt namelijk gesproken over ‘payment’ respectievelijk ‘Vergütung.” [30]
Het deel van de honoraria dat ten laste van de ontvanger komt wordt dus bepaald door deze twee laatste factoren, en niet bij voorbeeld door het aantal uren dat de openbare bureaus hebben besteed of de moeilijkheidsgraad van de betrokken zaak.
slechts gedeeltelijk wordt bepaald door de reële waarde van de verleende diensten en dat hoe bescheidener het inkomen en het vermogen van die ontvangers, hoe losser het verband met die waarde.
waardevan de prestatie en de (hoogte van de) tegenprestatie, maar om het verband tussen de
prestatieen de tegenprestatie. Ik zie ook niet in waarom het verband met de reële waarde van de dienst losser wordt naarmate het inkomen (en de bijdrage) lager is: mijns inziens blijft het verband even rechtstreeks, alleen de ‘afstand’ tussen de reële waarde en de betaling wordt groter. Voor de kwalificatie van een bijdrage als vergoeding doet dat echter niet ter zake – tot op de benedengrens van ‘symbolisch-zijn’ (zie punt 5.4.12 hierna). Een andere opvatting druist zozeer in tegen het karakter van de omzetbelasting, dat ik mij ook niet kan voorstellen dat het HvJ dit met de vorengeciteerde overwegingen heeft bedoeld.
Wanneer de verhuur op grond van de berekende huurprijs als vrijgevigheid moet worden beschouwd, en niet als een economische activiteitin de zin van de richtlijn, wordt de oorspronkelijke aftrek herzien gedurende een periode van maximaal tien jaar.”
als economisch beschouwd wanneer zij permanent wordt verricht en de verrichter een vergoeding ontvangt.
(…)”
bij elke transactie inzake productie of distributie BTW is verschuldigd onder aftrek van de BTW waarmee de onderscheidene elementen van de prijs rechtstreeks waren belast(zie, in die zin, arrest van 6 juli 1995, BP Soupergaz, C-62/93, Jurispr. blz. I-1883, punt 16).
vooronderstelt dat de kosten die voor het verwerven van die goederen of diensten zijn gemaakt, een van de bestanddelen van de prijs van de belaste handelingen zijn. Die kosten moeten dus een onderdeel zijn van de prijs van de in een later stadium verrichte handelingen waarbij gebruik wordt gemaakt van die goederen en diensten. Om die reden moeten die elementen van de kostprijs normalerwijze zijn ontstaan vóór de belastingplichtige de belaste handelingen verricht, waarop zij betrekking hebben.” [41]