Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte op 25 april 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren wegens medeplegen van poging tot moord. Het hof baseerde het bewijs mede op de gedetailleerde verklaring van een medeverdachte, ondanks diens latere terugtrekking en beroep op het zwijgrecht.
Verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat de verklaring van de medeverdachte als bewijs kon dienen en dat het bewijs voor voorbedachten rade onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat het hof de verklaring terecht geloofwaardig achtte vanwege de gedetailleerde inhoud en ondersteuning door andere bewijsmiddelen.
Het hof had ook gemotiveerd geoordeeld dat verdachte en medeverdachte een bewuste en nauwe samenwerking hadden en dat er voldoende tijd was voor beraad, waardoor sprake was van voorbedachten rade. Het cassatieberoep faalde omdat het hof zijn bewijswaardering en motivering voldoende had toegelicht en geen ambtshalve vernietigingsgronden aanwezig waren.