Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“Klachten”) een drietal onderdelen (2.1-2.3), waarvan de onderdelen 2.1 en 2.2 in meer subonderdelen uiteenvallen. Onderdeel 2.1 (
“Doorbraak van het niet-wijzigingsbeding?”) is gericht tegen de rov. 7-8:
subonderdeelmist feitelijke grondslag, voor zover het veronderstelt dat het hof in rov. 7 toepassing zou hebben gegeven aan art. 1:159 leden Pro 1 en 3 BW. ’s Hofs oordeel dat
“(e)en redelijke uitleg (van art. 2.3; LK) van het echtscheidingsconvenant (…) dan ook mee(brengt) dat de werking van het door partijen in artikel 2.2 opgenomen niet-wijzigingsbeding is doorbroken”, dient te worden bezien in het licht van rov. 6, waarin het hof heeft overwogen:
“(h)et in dit artikel(art. 2.2; LK)
bepaalde”(
“Het in dit artikel bepaalde kan niet bij rechte(r)lijke uitspraak worden gewijzigd (…)”); art. 2.2 heeft geen betrekking op de hoogte van de alimentatie, maar slechts op het definitief eindigen van de alimentatieverplichting van de man, niet pas 12 jaar na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, maar reeds op 1 november 2016.
subonderdelen 2.1.2-2.1.4berusten op de (onjuiste) premisse dat het hof in rov. 7 toepassing heeft gegeven aan art. 1:159 leden Pro 1 en 3 BW. Zij missen feitelijke grondslag en zijn daarom tevergeefs voorgesteld.
kunnenrealiseren. Het hof zou dit alles in rov. 14 hebben miskend, dan wel onvoldoende inzicht in zijn gedachtegang hebben geboden, althans zijn oordeel onvoldoende hebben gemotiveerd.
mutatis mutandishetzelfde zou gelden als voor de klacht met betrekking tot de netto omzet van € 90.000,-. Naar mijn mening verschillen beide kwesties echter wezenlijk; de laatste kwestie betreft de toerekening aan de draagkracht van de man van gelden die de man (zo begrijp ik althans de klacht) zonder noodzaak in zijn besloten vennootschap zou hebben gelaten, de eerste kwestie betreft de vraag waarom de man (niet als dga maar als bestuurder) in 2012 niet hetzelfde inkomen bij Finestigo B.V. heeft genoten als in 2011. Het is naar mijn mening niet onbegrijpelijk dat het hof de hiervoor weergegeven stellingen van de man en de door hem overgelegde stukken (waaronder overigens ook de
Annual Accounts 2012 Finestigo Holding B.V.en de aangifte Vpb; productie 29 van de man in hoger beroep) als afdoende verklaring voor het ontbreken van inkomsten uit Finestigo in 2012 heeft beschouwd. In dit verband wijs ik nog op de opmerkingen van de zijde van het hof bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van 14 juni 2013 (proces-verbaal, p. 5):
Voorts merkt hij op dat de door de man genoemde constructie met betrekking tot Finestigo niet ongebruikelijk is(cursivering toegevoegd; LK). Gezien de omvang van de ondernemingen van de man, geldt niet het wettelijke vereiste dat de jaarrekeningen door een (onafhankelijk) registeraccountant moeten worden opgesteld.”
“(g)ezien de omvang van de ondernemingen van de man, (…) niet het wettelijke vereiste (geldt) dat de jaarrekeningen door een (onafhankelijk) registeraccountant moeten worden opgesteld.”