Conclusie
management fee. De vrouw stelt zich op het standpunt dat ook rekening zou moeten worden gehouden met in de holding c.q. de deelnemingen besloten liggende winsten, die in de vorm van dividend zouden kunnen worden uitgekeerd.
“uit de jaarstukken blijkt dat sinds 1 januari 2012 de man(bedoeld zal zijn: [A] B.V.; LK)
weer 99,12 % van de aandelen van Astro Agro Trade B.V. bezit” [4] . Dit laatste is door de man betwist, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft de man die betwisting onvoldoende met stukken onderbouwd. Bij de beschikking van 1 mei 2012 is de zaak aangehouden, voor zover zij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen betreft.
management feevan € 90.000,- door AAT B.V. aan [A] B.V. en is uitgegaan van een salaris voor de man van 90% van deze
fee, zijnde € 81.000,- (rov. 22). Rekening houdend met de hypothecaire lasten van de man (rov. 25), zijn rekening-courantschuld aan [A] B.V. en zijn schulden aan AAT B.V., [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (rov. 28), heeft het hof geoordeeld dat een draagkracht resteert van € 643,- per maand (rov. 30). Het hof heeft de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 23 maart 2012 op dat bedrag vastgesteld.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
grosso modo, drie benaderingen:
lifting the corporate veil”) [10] . De winst wordt in dergelijke gevallen geheel toegerekend aan de dga en telt voor het berekenen van de draagkracht volledig mee als inkomen.
“in alle redelijkheid”rekening te houden met de betaling door AAT B.V. van een bepaalde
management fee(€ 90.000,-) aan de vennootschap van de man en met een aan die
feeprocentueel (90%) gerelateerd salaris van de man (€ 81.000,-) uit zijn vennootschap, daargelaten of de man dat salaris al dan niet daadwerkelijk van zijn vennootschap ontvangt.
onderdeel 10gericht tegen rov. 22, tweede alinea:
“de man niet (kan) beschikken over het netto resultaat van [A] B.V. van € 156.335,- in het boekjaar 2010”) in rov. 20 (en, in verband met de vaststelling van de behoefte van de vrouw, eerder al in de rov. 12.1-12.4) uitvoerig heeft weergegeven, maar met betrekking tot de stellingen van de vrouw in rov. 21 heeft volstaan met de constatering dat
“(d)e vrouw (…) gemotiveerd verweer heeft gevoerd”(in de rov. 13.1-13.2, waarin het hof de stellingen van de vrouw in verband met haar behoefte heeft weergegeven, heeft het hof - in rov. 13.1 - weliswaar gerefereerd aan de stellingen van de vrouw met betrekking tot de mogelijkheid van een uitkering uit de door AAT B.V. over het boekjaar 2010 gerealiseerde winst aan [A] B.V., maar
nietaan haar stellingen met betrekking tot door [A] B.V. aan de man uit te keren dividend), is in rov. 22 niet expliciet ingegaan op de mogelijkheid dat de man, naast een reëel salaris uit [A] B.V., mede over door die vennootschap aan hem bij wijze van dividend uitgekeerde winsten zal kunnen beschikken. Ik acht de klacht dat het hof is voorbijgegaan aan, althans niet voldoende inzichtelijk en gemotiveerd heeft gerespondeerd op de stelling van de vrouw dat bij de bepaling van de draagkracht van de man ook met door [A] B.V. aan de man uit te keren dividenden rekening dient te worden gehouden, gegrond.
nietvan verdere dividenduitkeringen door [A] B.V. dan daadwerkelijk zijn gedaan; zie rov. 12.2), het netto-inkomen van de man ter bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw op € 5.332,- per maand heeft bepaald. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof, bij de bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, is uitgegaan van de financiële middelen die partijen daadwerkelijk ter beschikking hebben gestaan. Overigens stond het de vrouw geheel vrij te berusten in de vaststelling van haar huwelijksgerelateerde behoefte en slechts de vaststelling van de draagkracht van de man in cassatie aan te vechten, ook voor zover zij met de daartoe aangevoerde argumenten mede de vaststelling van haar huwelijksgerelateerde behoefte ter discussie had kunnen stellen.
management feeaan [A] B.V. (waaruit de man een reëel salaris kan worden betaald), maar niet tot verdere (winst)uitkeringen aan [A] B.V. in staat zal zijn. In dat geval had het op de weg van het hof gelegen nader inzicht te bieden in zijn verwachtingen met betrekking tot de gevolgen van de bedoelde weigering voor de winstgevendheid van AAT B.V. en (indirect van) [A] B.V..
“(v)oor de bepaling van de hoogte van het inkomen”het oordeel van [betrokkene 1] tot uitgangspunt te nemen, staat daaraan niet in de weg, nu het begrip inkomen (anders dan het verderop in rov. 22 gehanteerde begrip salaris) kan worden geacht dividenden zoals door de vrouw bedoeld, mede te omvatten. Zoals hiervóór (onder 2.11) reeds aan de orde kwam, meen ik overigens dat met de enkele verwijzing naar het rapport van [betrokkene 1] een verwerping van de stellingen van de vrouw met betrekking tot de dividenden die de man zich zou kunnen toekennen, onvoldoende is gemotiveerd.
onderdelen 14-17betogen dat het bestreden oordeel, zo het hof met het veronderstelde oordeel dat bij de berekening van de draagkracht van de man géén rekening dient te worden gehouden met het bedrijfsresultaat van [A] B.V., heeft willen aansluiten bij de opvatting van [betrokkene 1] over de dubbeltelling van de resultaten van de deelnemingen indien deze zowel bij de waardebepaling van de onderneming als bij de alimentatieberekeningen worden betrokken, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans niet naar behoren is gemotiveerd. De onderdelen herinneren eraan dat [betrokkene 1] (op p. 5 van zijn rapport), na een schets van de verschillende methoden van waardebepaling (intrinsieke waarde, rentabiliteitswaarde,
Discounted Cash Flowmethode en liquidatiewaarde) als volgt over de waardering van de aandelen in [A] B.V. heeft geadviseerd:
Discounted Cash Flowmethode of de rentabiliteitsmethode (die beide met toekomstige geldstromen rekening houden) zou zich inderdaad een dubbeltelling voordoen, bij een waardering aan de hand van de liquidatiewaarde of de intrinsieke waarde (in welke waarden toekomstige geldstromen niet zijn verdisconteerd) echter niet. Daarbij wijzen de onderdelen erop dat de rechtbank ten tijde van indiening van het cassatierekest nog niet over de waarde van de aandelen en de wijze van waardering van die aandelen had beslist.