Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
FutD2012/46.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Wetgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Wetgeving
.Daarbij kan worden opgemerkt dat een later meldingstijdstip dan het tijdstip waarop de belastingschuld in eerste instantie betaald had moeten worden, indertijd gewenst werd geacht om onbedoelde consequenties in bonafide gevallen te voorkomen (zie het advies van de Sociale Verzekeringsraad van 2 mei 1985 inzake de te ontwerpen meldingsregeling, paragraaf 4.2.2.; dit advies is bij brief van 22 mei 1985 van de Minister van Justitie ter kennis gebracht van de Tweede Kamer, Kamerstukken II 1984/85, 16 530, nr. 14).
BNB1995/201, RIJ] wordt weliswaar geoordeeld dat melding in de afdrachtsfase moest geschieden, maar de feiten in die casus waren zodanig dat de betalingsonmacht ook al bestond in de afdrachtsfase. Dat dan niet met de melding gewacht kan worden totdat een naheffingsaanslag is opgelegd spreekt vanzelf. Wij zouden het arrest zo willen lezen dat de meldingsplicht van betalingsonmacht ontstaat als de materiële belastingschuld niet (meer) betaald kan worden, ongeacht of de formele belastingschuld al vaststaat.
5.Beoordeling van de middelen
Eerste middel
belastingplichtige.Deze staat ter zake van de verschuldigde belasting tegenover de overheid als schuldenaar van een uit de heffingswet voorvloeiende verplichting. [44] In het arrest van 11 november 2005 ging het daarentegen om de vraag of de wetenschap van een adviseur kan worden toegerekend aan
een aansprakelijkgestelde. De aansprakelijkgestelde en de overheid (de ontvanger) staan, ten opzichte van de door de belastingplichtige verschuldigde belasting, als derden tegenover elkaar. [45] In het kader van de extra meldingsmogelijkheid van artikel 7, tweede lid, UB IW is van belang of het lichaam,
de belastingplichtige, al dan niet een ernstig verwijt kan worden gemaakt; een situatie die dus meer gelijkenis vertoont met het arrest van 23 januari 2009 (wel toerekenen).
aansprakelijkis moet dan nog worden beantwoord; belanghebbende kan nog aan aansprakelijkheid ontkomen, al zal hij (twee keer) het vermoeden moeten ontkrachten dat hem een verwijt treft.
het opleggen van een naheffingsaanslagsprake is van grove schuld. Hier vertoont het onderhavige geval gelijkenis met het arrest van 23 januari 2009, waar het ook ging om toerekening in het heffingsproces. [47] In het arrest van 11 november 2005 ging het daarentegen niet om belastingheffing, maar om aansprakelijkstelling.
persoonlijkverwijt treft. [50] In dit kader gaat het niet om een verwijt ten aanzien van een belastingplichtige (het lichaam), maar ten aanzien van een aansprakelijk gestelde (de bestuurder). De aanwezigheid van een tijdige melding ziet niet op de betaling van belasting, maar op de aansprakelijkheidsvraag. [51] Daarom heeft in dit meldingskader mijns inziens wél het uitgangspunt te gelden dat eenieder in beginsel alleen voor zijn eigen daden en nalatigheden aansprakelijk te houden is. [52] Grove schuld van de accountant van het belastingplichtige lichaam kan hier naar mijn mening dus niet, althans niet in het algemeen, aan een aansprakelijk gestelde zoals belanghebbende worden toegerekend. Dat zou echter mijns inziens anders kunnen worden als een grofschuldig handelen of nalaten van een bepaalde adviseur, onder gegeven omstandigheden, persoonlijk verwijtbaar is aan een aansprakelijk gestelde, zoals ingeval deze in redelijkheid moest twijfelen aan de aanvaardbaarheid van diens mededelingen of adviezen.
persoonlijkverwijt treft, dan wel of het Hof hier ook het handelen van de accountant aan belanghebbende heeft toegerekend. Als het Hof de mijns inziens juiste maatstaf van persoonlijke verwijtbaarheid heeft aangelegd, dan is mij in het licht van de door belanghebbende gestelde gang van zaken niet duidelijk welk persoonlijk verwijt belanghebbende hier volgens het Hof precies zou treffen en waarom belanghebbendes gemotiveerde ontkenningen van persoonlijke verwijtbaarheid onvoldoende zouden zijn. [56]