Conclusie
Procedureel
De bewijsconstructie van de veroordeling
nietheeft gebaseerd op het bestaan van forensisch-technisch bewijsmateriaal waarmee bijvoorbeeld een verband kon worden gelegd tussen het moordwapen en de veroordeelde, of waarmee de aanwezigheid van de verdachte op de plaats van het delict kon worden aangetoond, om de eenvoudige reden dat het dossier destijds geheel geen belastend forensisch-technisch bewijsmateriaal bevatte. Dergelijke verbanden konden dus niet worden gelegd. Daarin heeft het onderzoek 2013/2014 geen verandering gebracht. Ook mag worden aangenomen dat ’s hofs bewijsconstructie niet berust op waarnemingen van getuigen omtrent het misdrijf zelf of omtrent gedragingen van [aanvrager] waaraan rechtstreeks een verband met het misdrijf viel te ontlenen, om de eenvoudige reden dat dergelijk bewijsmateriaal niet bestond. Ook hierin is thans geen verandering gekomen.
dat[slachtoffer] is doodgeschoten, behelzen de bewijsmiddelen die betrekking hebben op de vraag wie verantwoordelijk is voor dit gewelddadig overlijden uitsluitend verklaringen van [aanvrager] of verklaringen van getuigen ([getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]) die melding maken van jegens hen gedane uitlatingen van [aanvrager] van de strekking dat hij, [aanvrager], [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Het bewijs van het daderschap van [aanvrager] berust dus in de bewijsconstructie die door de arrondissementsrechtbank is opgetuigd in essentie uitsluitend op één bron, en dat is [aanvrager] zelf, met inbegrip van (ontkennende) verklaringen van [aanvrager] die door de rechtbank als leugenachtig zijn bestempeld.
op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen”met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt. Naar mijn inzicht brengt de aangehaalde passage uit artikel 457, eerste lid, onder c, Sv mee dat niet alleen de relevantie en het gewicht van het nieuwe gegeven zelf moeten worden bepaald, maar dat ook een weging moet plaatsvinden van de bewijsvoering waarop de veroordeling steunt. Ik geef een voorbeeld dat appelleert aan het gezonde verstand. Indien een veroordeling zou rusten op een solide basis van bijvoorbeeld forensisch-technisch bewijsmateriaal en videobeelden, zou een nieuwe getuigenverklaring die de veroordeelde in potentie alsnog een alibi verschaft niet snel kwalificeren als een novum. In het licht van de overtuigende bewijsconstructie wettigt zij immers niet het ernstige vermoeden dat de rechter bij bekendheid met die getuigenverklaring tot een vrijspraak zou zijn gekomen. Anderzijds, indien een veroordeling zou berusten op weinig onderscheidend bewijsmateriaal is de kans (veel) groter dat dezelfde alibiverklaring erin slaagt de toegepaste bewijsconstructie te ondermijnen. Kortom, de waardering van het als novum gepresenteerde gegeven is mede afhankelijk van de draagkracht van de bewijsconstructie. Zij moeten in hun onderlinge verhouding worden gewogen. [1] De wetgever heeft deze notie onderkend en reeds in 1899 in de wet tot uitdrukking gebracht.
kunnenzijn? [2]
onjuisteinformatie die overeenstemt met (eventuele) onjuistheden in de berichtgeving in de media. Dergelijke onjuistheden passen immers alleen goed in een scenario waarin [aanvrager] de inhoud van zijn verklaringen heeft ontleend aan die berichtgeving en niet aan zijn eigen waarneming als dader. Ik kom op een en ander uiteraard terug.
De bekentenissen van [aanvrager]
Daderwetenschap
Toetsing aan externe informatie
zeer geringesteun uit externe bron: [aanvrager] is waarschijnlijk op een bepaalde ochtend langs geweest in de woning van [betrokkene 5], die
misschiende beschikking had over een vuurwapen met de kenmerken van het moordwapen, aldus vloeit mede voort uit de verklaring van de vriendin van [betrokkene 5], [getuige 4]. [aanvrager] heeft in de zomer van 1981 wel eens om een vuurwapen gevraagd, [7] aldus (wederom) [getuige 4].
Informatie omtrent de persoonlijkheid van [aanvrager] in 1983/1984
“Het leven van [aanvrager] is doorspekt met fantasieën, (…), waarbij hij zijn houding en gedrag desgewenst aan de omstandigheden aanpast en beïnvloedbaar is”. Voor de gedachte dat [aanvragers] uitlatingen niet onder alle omstandigheden zonder meer voor waar kunnen worden gehouden, is overigens ook
veelsteun te vinden in de verklaringen van getuigen die [aanvrager] van nabij kennen en die hierover zijn bevraagd.