Conclusie
[aanvrager]
1.Het herziene novum
2.De spanning tussen rechtszekerheid en rechtsherstel
3.Herziening op grond van een novum, voorafgaande aan 1 oktober 2012
4.Knelpunten in de oude regeling
5.De “oplossing” van de knelpunten
6.Waarneming en interpretatie
7.De begrenzing van het ‘gegeven’
8.De andere voorwaarden voor het novum
9.Met herziening vergelijkbare instituten in het buitenland
10.De inwerking van de bijkomende restricties op het ‘gegeven’
11.Synthese
1.Het herziene novum
significante verruiming” gegeven. [1] Hieronder zal ik stilstaan bij de omvang van die verruiming. Daartoe schets ik de contouren van het instituut herziening in het algemeen, beschrijf ik de invulling die voorafgaande aan 1 oktober 2012 aan het novumbegrip werd gegeven, bewandel ik een zijspoor over het onderscheid tussen waarneming en interpretatie in de wetenschap, en sta ik na een uiteenzetting over vergelijkbare instituten in het buitenland stil bij de herzieningsregeling die de wetgever van 2012 voor ogen staat.
2.De spanning tussen rechtszekerheid en rechtsherstel
feitelijkejuistheid van het bestreden gewijsde is herziening mogelijk. [4]
De ondergeteekenden ondersteunen de meening van de vele leden, die wenschen dat de revisie een zeer exceptioneel middel van herstel blijven en niet in een gewoon middel van beroep ontaarden mocht”, aldus drie van de initiatiefnemers van de hieronder te bespreken wijzigingswet van 1899. [5] Die gedachte is levensvatbaar gebleken. Ook van de huidige wetgever mag het rechtsmiddel niet transformeren van buitengewoon naar gewoon. [6] In de totstandkomingsgeschiedenis van de wetswijziging van 2012 heeft de minister deze zienswijze als volgt verwoord:
nieuwzijn en die een onjuistheid blootleggen geschikt zijn om te leiden tot de herziening van een veroordeling die in kracht van gewijsde is gegaan. Het moet daarbij gaan om argumenten die ertoe doen, dat wil zeggen: argumenten van zodanig gewicht dat zij naar redelijke verwachting tot een andere uitspraak zouden hebben geleid indien zij door de rechter in de weging waren betrokken. Met andere woorden, de veroordeling moet
berustenop een dwaling. Bovendien moet het daarbij gaan om kwesties van
feitelijkeaard. Zoals gezegd behoren significante rechtsdwalingen er in cassatie te worden uitgefilterd. [8]
3.Herziening op grond van een novum, voorafgaande aan 1 oktober 2012
de behandeling der zaak aan wezenlijke nulliteiten laboreert, of dat in de toepassing der Wet kwalijk is gehandeld,” moest het hof het betreffende vonnis annuleren, de gehele zaak opnieuw onderzoeken, en (eventueel) bij tweede arrest uitspraak doen. [11] Het Koninklijk besluit stipuleerde niet uitdrukkelijk dat de taken van de “
lijfstraffelijke afdeeling van het hof van te nietdoening” in de herzieningsregeling van de artikelen 443 – 447 werden toebedeeld aan de strafkamer van het Hooggerechtshof, maar in de spaarzame herzieningspraktijk is dat wel zo gegaan.
zo goed als blindelings” [12] overgenomen van de artikelen 443 – 447 van de Code d’Instruction Criminelle van 1808. Het ontwerpartikel waarin de openstaande gronden voor herziening waren geformuleerd luidde (artikel 7 van Pro de 16e Titel):
overherziening.
inherziening.
Vanaf het oogenblik, dat tot revisie is besloten, is er twijfel aan de schuld van den veroordeelde.” [23] De feitenrechter naar wie is verwezen moet de zaak met inachtneming van de wettelijke grenzen en de eventueel in de verwijzingsopdracht gelegen beperkingen [24] opnieuw geheel onderzoeken en daarin recht doen op de grondslag van de tenlastelegging, zulks onder vervanging van de aangevochten uitspraak. De rechter naar wie is verwezen is daarbij niet gebonden aan de vaststellingen van de verwijzingsrechter en evenmin aan de gronden die tot herziening hebben geleid. [25] “
Het gerechtshof, waaraan na de verwijzing het nieuwe onderzoek wordt opgedragen, heeft over het ‘novum’ als zoodanig niet meer te beslissen. De uitspraak van den Hoogen Raad is op dit punt eene definitieve. Zij verplicht het gerechtshof tot een nieuw onderzoek der zaak, waarbij over het al dan niet bewezene van het ‘novum’ geene afzonderlijke uitspraak moet worden gedaan.” [26]
een bij de vroegere behandeling van de zaak niet bekend geworden feit of bewijsmiddel”. [29] De memorie van antwoord bij die wet beoogde over de aard van de daarin geïntroduceerde term ‘omstandigheid’ de volgende duidelijkheid te verschaffen:
wil het tot herziening kunnen leiden van feitelijke aard moet zijn.”
Een mening, overtuiging of gevolgtrekking kan in het algemeen niet als een feitelijke omstandigheid worden aangemerkt.”
voortschrijdenddeskundigeninzicht. Kortom, indien de deskundige uitsluitend andere conclusies trok uit de gegevens die de veroordelende rechter ter beschikking stonden, kon geen novum worden aangenomen.
4.Knelpunten in de oude regeling
5.De “oplossing” van de knelpunten
zoalsnieuwe deskundigeninzichten, onder omstandigheden een novum opleveren.” [57]
6.Waarneming en interpretatie
niemanddat ooit daadwerkelijk heeft waargenomen. Het is eenvoudigweg zo dat deze (“heliocentrische”) hypothese de betere en simpelere verklaring geeft voor een veelvoud aan waarnemingen, en dat zij niet is weerlegd door andere waarnemingen. Dit wetenschappelijke inzicht relativeren als “ook maar” een mening, overtuiging of gevolgtrekking, zou wat potsierlijk aandoen, maar het is wat het is: de gangbare beschrijving van het zonnestelsel is momenteel de beste
interpretatievan vele waarnemingen.
de substantie bevat cocaïne”), zou vermoedelijk ook als een ‘feit’ zijn gekenschetst. De gevolgtrekkingen van de schouwarts uit voorbeeld c laten zich minder snel als ‘feit’ betitelen, maar het kan wel degelijk. [70] Ik verwacht dat de conclusies van de rechtspsycholoog onder d en f, en van de sporendeskundige onder e daarentegen een gerede kans lopen om als ‘gevolgtrekking’ of zelfs ‘weging’ te worden aangemerkt. [71]
- naarmate de interpretatie met meer onzekerheden is omgeven, kortom naarmate de uitspraak meer in termen van waarschijnlijkheden is geformuleerd dan in termen van zekerheid (ofschoon dat onderscheid in werkelijkheid zeer betrekkelijk is en achter categorische uitspraken vaak een minder betrouwbare methodologie schuil gaat);
- naarmate de interpretatie zich meer begeeft op het niveau van activiteiten dan op het bronniveau;
- indien de interpretatie is gebaseerd op waarnemingen waarvoor geen technologie is aangewend en het gebruik van de zintuigen volstaat;
- naarmate de interpretatie meer tactisch feitenmateriaal omvat en in mindere mate specifiek forensisch-technisch materiaal, voor het begrip en de interpretatie waarvan specialistische kennis onontbeerlijk is;
- naarmate de interpretatie (een combinatie van) meer bewijsmateriaal in ogenschouw neemt en derhalve een meer globaal oordeel omvat over de kracht van het bewijsmateriaal dat zich in potentie leent voor een bewijsconstructie;
- naarmate de onderliggende moederwetenschap met meer subjectieve elementen is omgeven, zoals in de forensische psychiatrie, waarin rapportages vaker leiden tot uiteenlopende oordelen bij onderscheidene deskundigen.
wareuitspraken te doen; dat wil zeggen: uitspraken waarvan de inhoud overeenstemt met de werkelijkheid. Niettemin zijn op wetenschappelijke interpretaties gestoelde uitspraken in de regel probabilistisch van karakter. De werkelijkheid laat zich doorgaans niet met zekerheid kennen. In zoverre onderscheidt het oordeel van een wetenschapper zich niet van dat van anderen. Het kernpunt van de hier besproken wetswijziging is die van een verruiming van het novumbegrip, maar toch ook weer niet ongebreideld. We zijn dus op zoek naar een nieuwe demarcatie. Waarin onderscheidt het deskundigeninzicht zich van andere standpunten, meningen en overtuigingen? Onder welke voorwaarden vormt een ‘deskundigeninzicht’ een ‘gegeven’?
federalerechtspraak de imperatieve standaard voor de toelaatbaarheid van deskundigenbewijs. In de rechtspraak van ongeveer de helft van de afzonderlijke staten in de V.S. is zij vervolgens als de standaard geadopteerd. Zij verving in die jurisdicties de zogeheten ‘Frye test’, genoemd naar een uitspraak van de U.S. Supreme Court uit 1923, waarin de toelaatbaarheid van een experimentele methode in het geding voor de jury nog geheel afhankelijk werd gesteld van de vraag of die methode “
sufficiently established to have gained general acceptance in the particular field in which it belongs.” Ik kom hierop terug.
7.De begrenzing van het ‘gegeven’
deskundigen. Ik vond in de wetsgeschiedenis geen steun voor de gedachte dat de wetgever in dit verband ook waarde heeft willen toekennen aan inzichten die afkomstig zijn van anderen dan deskundigen.
NJ1983/650 de vrijspraak in hoger beroep van een mededader die anders dan de onherroepelijk veroordeelde aanvrager tot revisie niet in de veroordeling had berust, niet kwalificeren als een nieuwe omstandigheid van feitelijke aard die tot vrijspraak aanleiding kan geven (het oude novum). [94] Afgezien daarvan, indien in iedere divergerende rechterlijke beslissing op zichzelf reeds een novum besloten ligt, mist de in art. 457, eerste lid onder a Sv genoemde grond zelfstandige betekenis. Dat zal de wetgever niet hebben gewild. [95]
8.De andere voorwaarden voor het novum
bij het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken”, is in de geldende wetstekst enigszins anders geredigeerd. Voorwaarde voor het aannemen van een novum is thans dat het gegeven “
bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was”. Ik ontwaar in de wetsgeschiedenis geen aanwijzingen dat met deze herformulering een betekeniswijziging is beoogd. De vraag of een gegeven de veroordelende rechter bij het onderzoek ter terechtzitting al dan niet bekend was, wordt daardoor in beginsel nog steeds beantwoord aan de hand van het procesdossier dat door het openbaar ministerie aan de rechter is voorgelegd, alsook aan het besprokene ter terechtzitting. De rechter wordt geacht het dossier te kennen. Uitgangspunt is daarom dat de rechter bekend is geweest met de gehele inhoud ervan. Een getuigenverklaring waarvan het proces-verbaal zich om een of andere reden niet bevond in het procesdossier dat aan de rechter ter beschikking is gesteld, kan een novum opleveren, aangezien dit feitenmateriaal betreft waarmee de rechter onbekend was. [97]
Dat de rechter geacht wordt met de feiten uit het dossier bekend te zijn geweest, is dan een veronderstelling die moet wijken voor de blijk van het tegendeel,” aldus Knigge weer op zijn beurt.
op zich zelf” in ogenschouw worden genomen, alsook “
in verband met de vroeger geleverde bewijzen”.
ernstige twijfelbestaat aan de juistheid van het vonnis.” [105]
behorente doen. Doordat niet relevant is hoe de veroordelende rechter gevonnist zou hebben wanneer de bedoelde omstandigheid hem bekend zou zijn geweest, wordt dus geabstraheerd van de persoon van de rechter die de veroordeling heeft uitgesproken. Naar mijn inzicht kon om die reden de uitlating van één der raadsheren van een meervoudige strafkamer van een gerechtshof, namelijk “
Als ik dit alles destijds had geweten, waren mijn twijfels dusdanig toegenomen dat ik geen gebruik had willen maken van de belastende verklaringen van de[getuige]
en was er geen "unanimiteit" tot stand gekomen,” wel een unicum, maar geen novum teweegbrengen. [110]
een vorm van helderziendheid” beschikt, kon de minister al niet onderschrijven. [111] En dat is, zo meen ik, terecht. De herzieningsrechter hoeft niet te speculeren over wat er kan zijn omgegaan in het brein van de rechter die de bestreden veroordeling heeft gewezen in het denkbeeldige geval dat die laatste rechter bekend was met het gegeven dat nadien bij de herzieningsaanvraag is aangereikt.
medewordt bepaald door de eerste. Stel dat de kans dat de verdachte schuldig is, bezien in het licht van het bewijsmateriaal en de achtergrondgegevens, ongeveer 60% bedraagt. De kans dat de veroordeling van de verdachte bij deze stand van zaken onjuist is en berust op een dwaling, is daarmee ongeveer 40%. Naar alle waarschijnlijkheid zal een rechter die van deze kansverhouding op de hoogte is tot vrijspraak besluiten. De kans op vrijspraak is (in dit geval) dus veel groter dan de kans op onschuld. Het verschil tussen de grootte van beide kansen behelst het voordeel van de twijfel dat de verdachte rechtens toekomt. De omvang van dat voordeel houdt verband met de hoogte van de bewijsstandaard, en die is, het zij herhaald, normatief van aard. Het is goed om het onderscheid tussen deze kansen voor ogen te houden, omdat hieronder zal blijken dat misverstanden op de loer liggen. Zoals gezegd wordt aan de herzieningsrechter de vraag voorgelegd welke naar zijn inschatting de kans is dat het onderzoek van de strafzaak zou hebben geleid tot een vrijspraak ingeval de rechter bekend zou zijn geweest met het gegeven dat in herziening wordt aangedragen. De herzieningsrechter wordt niet gevraagd om uitdrukking te geven aan de kans dat de bestreden veroordeling onjuist is. Uiteraard speelt die laatste kans een cruciale rol bij de weging van de kans op vrijspraak.
Ernstige twijfelaan de juistheid van de veroordeling vanwege de introductie van een nieuw gegeven leidt immers tot een grote kans dat het onderzoek van de strafzaak zou hebben geleid tot een vrijspraak ingeval de rechter met dit gegeven bekend zou zijn geweest.
onschuldvan den veroordeelde met zich moet brengen. Voldoende behoort te zijn, (…), dat bij de behandeling in revisie niet blijkt van de schuld des veroordeelden.” [114]
ernstigetwijfel” wekt aan de juistheid van de gewezen uitspraak. Eén der initiatiefnemers van die wet, De Savornin Lohman, sprak al in die zin bij gelegenheid van zijn hierboven geciteerde illustratieve toelichting. De enkele aanwezigheid van
enigetwijfel aan de juistheid van de veroordeling, was dus niet toereikend.
mogelijkerwijzetot vrijspraak had kunnen leiden, doch een zoodanig feit dat dit gevolg
naar alle waarschijnlijkheidzou hebben gehad.” [117]
Ernstigetwijfel aan de juistheid van de veroordeling kan hiertoe aanleiding geven.
Enigetwijfel alleen is daartoe onvoldoende, zo moet uit de hierboven geresumeerde wetsgeschiedenis worden afgeleid. [124]
materiëlefeit waartoe de verwijzingsopdracht zich uitstrekt in het geding in herziening waarschijnlijk zal leiden tot een vrijspraak. De toets die m.i. aan de herzieningsrechter voorligt is dus om de waarschijnlijkheid in te schatten van een vrijspraak door een modelrechter in een hypothetisch modelproces waarin het als novum gepresenteerde gegeven aan alle procespartijen bekend is. Onvolkomenheden in de tenlastelegging of bijkomstigheden die uit de bewezenverklaring kunnen worden weggedacht spelen in het geding over herziening daardoor geen rol van betekenis. Hetgeen als novum wordt voorgedragen moet doordringen tot de kern van de zaak.
9.Met herziening vergelijkbare instituten in het buitenland
geschiktzijn om de onschuld van de veroordeelde vast te stellen. [126] Deze regeling is woordelijk overgenomen in de Code de procédure pénale, die in werking trad op 2 maart 1959. Een ingrijpende wijziging in de omschrijving van het novum werd van kracht op 1 oktober 1989. [127]
de nature à faire naître un doute sur la culpabilité du condamné.”
“élément”) dat de rechter op de dag van het proces onbekend was in staat is om twijfel aan de schuld van de veroordeelde op te roepen. Daarmee lijkt de Code de procédure pénale de teugels te hebben laten vieren ten opzichte van de meer stringente regeling van artikel 443 van Pro de Code d’instruction criminelle. De drempel om over de band van het novum tot herziening te geraken is dus in Frankrijk op 1 oktober 1989 naar de letter genomen verlaagd ten gunste van de veroordeelde. [128]
lijken te zijn(“
.. des demandes qui lui paraissent pouvoir être admises” [129] ) aanhangig gemaakt bij de strafkamer van de Cour de Cassation, en van de rest is vrijwel alles (onherroepelijk) niet-ontvankelijk verklaard dan wel afgewezen. [130] De strafkamer van de Cour de Cassation, die nadat de zaak naar haar is verwezen optreedt onder de naam ‘Cour de Révision’, onderzoekt de aanvraag zelfstandig en kan de veroordeling vernietigen indien de aanvraag gegrond is bevonden. [131] Zo nodig is de Cour de Révision bevoegd de strafzaak voor een geheel nieuwe behandeling te verwijzen naar een ander gerecht van dezelfde rang als die de bestreden veroordeling heeft gewezen. [132] Over de jaren 2002 – 2011 heeft de Cour de Révision welgeteld 34 door de Commission de Révision aangebrachte aanvragen afgewikkeld, waarvan 20 leidden tot een vernietiging van de bestreden veroordeling, en waarvan 14 aanvragen alsnog eindigden in een afwijzing. [133]
notions sur la probabilité des causes” gaf Poincaré een nog immer modern aandoende uitwijding over Bayesiaanse statistiek en paste hij die, bij mijn weten als een van de eersten, toe in een forensische context. Daarmee toonden Poincaré c.s. uiteraard niet onomstotelijk de onschuld van Dreyfus aan, maar hun interpretatie riep ernstige twijfel op over de kracht van het bewijsmateriaal dat ten laste van Dreyfus was gebruikt.
if necessary or expedient in the interests of justice” processtukken in aanmerking nemen en getuigen horen, ongeacht of zij zijn gehoord ten overstaan van de Crown Court in de procedure die uitmondde in de beslissing waartegen wordt opgekomen. Zelfs kan de Court of Appeal besluiten om nieuw bewijsmateriaal toe te laten. Bij het besluit om daartoe over te gaan, moet de Court of Appeal in het bijzonder acht slaan op de vragen
in the interests of justice”. [142] Indien de Court of Appeal dit achterwege laat, hetgeen de Court of Appeal om uiteenlopende redenen kan doen, vaardigt de Crown Court een ‘acquittal’ uit.
have I a reasonable doubt, or even a lurking doubt that this conviction may be unsafe?” In de zaak Pendleton oordeelde het House of Lords dat de juiste maatstaf in een geval waarin de Court of Appeal op de voet van section 23 CAA 1968 nieuw bewijsmateriaal heeft toegelaten, de vraag is of de veroordeling ‘safe’ is, niet of de veroordeelde schuldig is. [144] In dergelijke gevallen moet de Court of Appeal in overweging nemen welk effect het nieuwe bewijsmateriaal zou hebben gehad op de jury indien het naar voren zou zijn gebracht in de procedure voor de Crown Court, een toets die ook wel de ‘jury impact test’ wordt genoemd. Als het bewijsmateriaal redelijkerwijze van invloed kon zijn geweest op de beslissing van de jury om te veroordelen, moet deze veroordeling ‘unsafe’ worden beschouwd, aldus begrijp ik de House of Lords. De Court of Appeal mag niet zijn eigen oordeel in de plaats stellen van dat van de jury.
dat doen omdat zij een inquisitoire onderzoekstaak heeft die wordt ingezet wanneer het er naar uitziet dat, ondanks alle eigen adversaire garanties, het gewone strafproces een onaanvaardbaar resultaat heeft opgeleverd. Zij neemt daarbij juist niet de functie van de rechter over, al moet zij in haar verwijzingsbeslissing rekening houden met de criteria die hij aanlegt om tot de conclusie te komen dat sprake is van een unsafe conviction,” aldus Brants. [152] De Court of Appeal zal zich op zijn beurt moeten beraden over de vraag wat de jury van de Crown Court zou hebben besloten in het hypothetische geval dat de jury in de betreffende zaak bekend was met de ‘new evidence’; dat is de al genoemde ‘jury impact test’.
newevidence’ genereren. Ik bespreek kort enkele door de CCRC verwezen zaken die exemplarisch zijn voor gevallen waarin geen nieuwe waarnemingen doch uitsluitend afwijkende deskundigeninterpretaties cruciaal waren voor het oordeel van de bevoegde rechter. [154]
that he did not know if there had been a false confession but the appellant's personality disorder may make him particularly vulnerable to making a false confession. There was a serious question on the reliability of the confessions.”
tweedewiegendood in één gezin wel erg onwaarschijnlijk was. Over de verdenking van een onnatuurlijke dood van met name het tweede kind bestond onder de geraadpleegde medische deskundigen een grote verscheidenheid aan opinies. Er waren geen tot weinig aanwijzingen voor een niet-natuurlijke dood.
neue Tatsachen oder Beweismittelbeigebracht sind, die allein oder in Verbindung mit den früher erhobenen Beweisen die
Freisprechungdes Angeklagten oder in Anwendung eines milderen Strafgesetzes eine geringere Bestrafung oder eine wesentlich andere Entscheidung über eine Maßregel der Besserung und Sicherung
zu begründen geeignet sind,”
engeschikt’ bewijsmiddel is. Dat is het wanneer het de conclusies van de voorgaande deskundige wezenlijk aantast. [169] Ik begrijp Gössel aldus dat het er naar zijn oordeel op aankomt of de
inhoudvan het deskundigenbericht nieuw is. Zo geldt dat een tweede deskundige met de nieuwste wetenschappelijke inzichten kan komen tot een conclusie die de rechter zelf al getrokken had. [170] Die conclusie kan dan geen novum teweegbrengen.
10.De inwerking van de bijkomende restricties op het ‘gegeven’
faciliteren, doordat de daarin getrokken conclusie het geloof in de juistheid van de veroordeling ondergraaft. Brandon L. Garrett, hoogleraar aan de University of Virginia School of Law, die in een belangwekkend boek een analyse heeft gegeven van de eerste 250 gerechtelijke dwalingen die in de Verenigde Staten door ‘DNA-exonerations’ zijn blootgelegd, [174] maakt er in dit verband melding van dat in diverse zaken de rechtspsychologische rapportage “
secured the DNA-exoneration”. [175]
11.Synthese
welten grondslag is gelegd aan de aanvrage, betreft zonder meer een omstandigheid van feitelijke aard, die onder de vigerende regelgeving kan worden aangemerkt als een ‘gegeven’ in eerderbedoelde zin. De rechtbank kan met deze verklaring van de aangeefster bij het onderzoek ter terechtzitting niet bekend zijn geweest.
zelfstandigmoeten beoordelen of dit nieuwe gegeven op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de onherroepelijke veroordeling niet bestaanbaar schijnt, en wel zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven (i.e. de nieuwe verklaring) bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de gewezen verdachte. Dat het gerechtshof de medeverdachten heeft vrijgesproken leidt dus niet onontkoombaar tot de conclusie dat de aanvrager tot herziening in het geding na herziening
waarschijnlijkzal worden vrijgesproken. Dat hangt af van de waardering van het nieuwe feitenmateriaal. Daarover het volgende.
ernstigetwijfel op over de juistheid van de veroordeling. Ik licht dat toe aan de hand van de verklaring die thans als novum wordt gepresenteerd.