Conclusie
eerste middelklaagt over de verwerping van het verweer dat ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 de verdachte telkens niet over de gehele tenlastegelegde periode als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt.
tweede middelklaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte ter zake van feit 1 geen oogmerk had om te misleiden.
derde middelklaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt met betrekking tot de verklaring van getuige [getuige 11] inzake de ontbrekende certificaten.
vierde middelklaagt over het oordeel van het Hof dat de VDM’s zoals bewezenverklaard onder 3 (onderdelen 3.10 tot en met 3.14) vals zijn.
bij de Hoge Raad der Nederlanden