In deze zaak stond de vraag centraal of verdachte met voorbedachte raad handelde bij een poging tot moord op zijn broer in een café te ’s-Gravenhage op 25 januari 2011. Het hof had verdachte veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf, waarbij het oordeelde dat sprake was van kalm beraad omdat verdachte het café verliet en later terugkeerde om direct op het slachtoffer af te lopen en hem te steken.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof zijn motivering onvoldoende had onderbouwd. De bewijsmiddelen waren innerlijk tegenstrijdig: het slachtoffer verklaarde enerzijds dat verdachte direct op hem afliep in het café, anderzijds dat het slachtoffer zelf naar de deur liep waar verdachte buiten stond. Deze tegenstrijdigheid was van belang voor de beoordeling van het bestaan van kalm beraad.
Verder had het hof onvoldoende vastgesteld wat de gedragingen van verdachte waren voor en tijdens het feit, terwijl dit essentieel is voor het oordeel over voorbedachte raad. De Hoge Raad herhaalde de jurisprudentie dat voorbedachte raad inhoudt dat verdachte gelegenheid heeft gehad om na te denken over zijn daad en dat dit niet zonder meer kan worden aangenomen zonder duidelijke motivering.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof voor zover het de bewezenverklaring van voorbedachte raad en de strafoplegging betrof en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing over dat onderdeel.
De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad benadrukte het belang van een zorgvuldige en consistente motivering bij bewezenverklaringen van voorbedachte raad, mede vanwege het strafverzwarende karakter van dit bestanddeel.