ECLI:NL:PHR:2014:92
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen voorrecht voor UWV-vordering op moedermaatschappij op basis van aansprakelijkheidsverklaring
Econcern N.V. stelde zich hoofdelijk aansprakelijk voor schulden van haar dochtermaatschappij Innogrow International B.V. via een verklaring op grond van art. 2:403 lid 1 sub f BW Pro. Na faillissementen van beide vennootschappen vorderde het UWV een preferente loonaanspraak van werknemers van Innogrow op Econcern, gebaseerd op deze aansprakelijkheidsverklaring.
De rechtbank oordeelde dat deze vordering slechts concurrente status heeft en geen voorrecht toekomt, omdat voorrechten slechts uit de wet kunnen voortvloeien en art. 2:403 BW Pro geen voorrecht verleent. Het UWV stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad concludeert dat de rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven. De aansprakelijkheidsverklaring brengt geen voorrecht mee en de moedermaatschappij kan niet als werkgever worden aangemerkt voor de werknemers van de dochter. Ook een richtlijnconforme interpretatie van art. 2:403 BW Pro leidt niet tot een ander oordeel.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het oordeel van de rechtbank dat de vordering van het UWV op Econcern slechts een concurrente vordering is, in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van het UWV wordt verworpen; de vordering op basis van de aansprakelijkheidsverklaring heeft geen voorrecht in het faillissement van de moedermaatschappij.