ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ0334
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Werknemersvordering jegens moedermaatschappij op grond van aansprakelijkheidsverklaring ontbeert preferentie
In deze zaak vordert het UWV erkenning van een vordering op de moedermaatschappij Econcern N.V. op grond van een aansprakelijkheidsverklaring afgegeven volgens artikel 2:403 BW Pro. Deze verklaring houdt in dat Econcern zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor schulden van haar dochtermaatschappij Innogrow International B.V. die failliet is verklaard.
Het UWV heeft in het faillissement van Innogrow een preferente vordering op grond van de Werkloosheidswet. Het geschil betreft de vraag of deze preferentie zich ook uitstrekt tot de vordering op Econcern. De curatoren erkennen de vordering van UWV slechts als concurrente vordering en betwisten de preferentie.
De rechtbank oordeelt dat de aansprakelijkheidsverklaring niet leidt tot een preferentie in het faillissement van de moedermaatschappij. Artikel 3:278 BW Pro bepaalt dat voorrechten slechts uit de wet kunnen voortvloeien, en artikel 3:288 sub e BW Pro verleent een voorrecht aan werknemersvorderingen op de werkgever, maar Econcern is niet werkgever van de werknemers van Innogrow. De aansprakelijkheidsverklaring creëert een zelfstandige verbintenis zonder preferentie.
De rechtbank wijst het gevorderde preferentievoordeel af en erkent de vordering van UWV slechts als concurrente vordering, met veroordeling van UWV in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het gevorderde preferentievoordeel af en erkent de vordering van het UWV slechts als concurrente vordering.