ECLI:NL:PHR:2015:1013

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2015
Publicatiedatum
7 juli 2015
Zaaknummer
14/02985
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-tijdige indiening middelen van cassatie

Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte bij arrest van 22 mei 2014 veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest.

Verdachte stelde beroep in cassatie in, maar heeft niet tijdig een schriftuur houdende middelen van cassatie door een raadsman laten indienen binnen de wettelijke termijn van twee maanden na aanzegging. Hierdoor kan verdachte niet in cassatie worden ontvangen op grond van artikel 437, tweede lid, Sv.

De benadeelde partij diende een middel van cassatie in, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het geen geldige klacht bevatte over een rechtsregel of vormverzuim. De Hoge Raad is daarom niet bevoegd om dit middel te beoordelen.

De conclusie van de procureur-generaal is dat de Hoge Raad verdachte niet-ontvankelijk verklaart in het cassatieberoep en het arrest van het gerechtshof Amsterdam bevestigt.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet-tijdige indiening van middelen van cassatie.

Conclusie

Nr. 14/02985
Zitting: 16 juni 2015
Mr. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 22 mei 2014 de verdachte ter zake van
“diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.
2. Deze zaak hangt samen met zaaknummer 14/02986. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.
4. De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv Pro is op 29 januari 2014 aan de verdachte in persoon betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv Pro gestelde termijn van twee maanden liep af op 31 maart 2014. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
6. Namens de benadeelde partij heeft mr. W.M. Chung, advocaat te Amsterdam, een ‘middel van cassatie’ voorgesteld.
7. Nu de verdachte niet in zijn beroep in cassatie kan worden ontvangen, is de Hoge Raad niet bevoegd tot de beoordeling van de op de voet van art. 437, derde lid, Sv ingediende schriftuur van de benadeelde partij. [1] Overigens betreft het middel geen klacht [2] - laat staan een stellige en duidelijke klacht - over de schending van een rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift bij het beslissen op de door de benadeelde partij ingediende vordering. Daarom is geen sprake van een cassatiemiddel in de zin van art. 437, derde lid, Sv. Het voorgestelde ‘middel’ dient derhalve ook om die reden onbesproken te blijven.
8. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4207, NJ 2003/329 en HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6052.
2.Het middel luidt: “Cliënte verzoekt uw College om het arrest zoals in deze zaak op 22 mei 2014 gewezen door het Gerechtshof te Amsterdam te bevestigen”.