ECLI:NL:HR:2011:BP6052

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04383
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 421 SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontvankelijkheid cassatieberoep benadeelde partij zonder schriftuur verdachte

In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte behandeld. De verdachte heeft geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn, waardoor hij niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep. Namens de benadeelde partij is wel een schriftuur ingediend met een cassatiemiddel.

De Hoge Raad overweegt dat artikel 421, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering het instellen van hoger beroep door een benadeelde partij regelt indien noch verdachte noch het openbaar ministerie hoger beroep instellen. Echter bevat de wet geen regeling voor het instellen van cassatieberoep door de benadeelde partij indien de vordering in hoger beroep is afgewezen en noch verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep hebben ingesteld.

Hieruit volgt dat de Hoge Raad niet bevoegd is om de schriftuur van de benadeelde partij te beoordelen in dergelijke gevallen. De schriftuur blijft daarom onbesproken. De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep en laat de schriftuur van de benadeelde partij buiten beschouwing.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatieberoep; schriftuur benadeelde partij blijft onbesproken.

Uitspraak

12 april 2011
Strafkamer
nr. 09/04383
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 oktober 2009, nummer 23/006141-08, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft mr. G.L.D. Thomas, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
3. Beoordeling van de schriftuur van de benadeelde partij
3.1. Art. 421, vierde lid, Sv voorziet in het instellen van hoger beroep door een benadeelde partij tegen de afwijzing van haar vordering door de rechter in eerste aanleg indien noch de verdachte noch het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld. De wet bevat geen regeling ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld. Evenmin bevat de wet zo een regeling voor het geval de verdachte onderscheidenlijk het openbaar ministerie in het ingestelde cassatieberoep niet kan worden ontvangen. Daaruit moet worden afgeleid dat de wetgever van een dergelijke voorziening niet heeft willen weten. Dat brengt mee dat de Hoge Raad in de genoemde gevallen niet bevoegd is tot de beoordeling van een op de voet van art. 437, derde lid, Sv ingediende schriftuur van een benadeelde partij (vgl. HR 25 maart 2003, LJN AF4207, NJ 2003/329).
3.2. Uit het vorenoverwogene volgt dat de namens de benadeelde partij ingediende schriftuur onbesproken moet blijven.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer H.A.G. Splinter-van Kan als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 12 april 2011.