Conclusie
“overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”veroordeeld tot een geldboete van € 1.100,00 subsidiair tweeëntwintig dagen hechtenis. Voorts is hem een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van tien maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
eerste middelklaagt dat het hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende dat er geen sprake was van opzet, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
"het komt mij voor dat de stelling dat de verdachte om medische (of psychische) redenen tijdelijk niet tot adequate wilsvorming in staat is geweest en/of zijn wil niet anderen kenbaar heeft kunnen maken, indien feitelijk aannemelijk, bij een delict als in deze zaak tenlastegelegd, een bewezenverklaring blokkeert."
"ondanks de medewerking van de bestuurder leidde dit voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht als bedoeld in art. 160 lid 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, niet tot een uitslag, dat was gelegen in het navolgende feit: bestuurder was niet in staat om een blaastest met goed gevolg af te leggen, dit omdat hij niet in staat was om voldoende lucht uit te blazen om aan de blaastest te voldoen."
"waarneming gedrag".Letterlijk relateert verbalisant [verbalisant 1] (de verbalisant die ook de ademanalyse heeft afgenomen):
"ik nam waar dat......de bestuurderniet in staat was zijn wil kenbaar te maken.Dit bleek mij [verbalisant 1] uit: de verdachte was niet in staat om te zeggen waar hij vandaan kwam en waar hij naar toe ging. De verdachte wilde een aantal dingen tegen ons zeggen, maar dit lukte hem niet."
"geen gevolg aan bevel tot medewerking ademanalyse"een relaas van verbalisant [verbalisant 1] met betrekking tot hetgeen in het kader van de ademanalyse is gebeurd.
"voorafgaande aan de eerste poging werd aan de verdachte uitgelegd dat hij goed door moest blazen. De eerste poging was negatief, omdat de verdachte niet in een adem doorblies. Na uitleg blies de verdachte een tweede poging waarbij hij te hard blies en niet genoeg lucht over hield. De verdachte kreeg een reeds gebruikt mondstuk om op te oefenen. De derde test was positief. Het meetresultaat van deze ademanalyse test betrof 1445 ug/l. Bij de vierde test blies de verdachte wederom te hard."
"bij de eerste test zag ik, verbalisant [verbalisant 1], dat de verdachte bewust met kracht lucht inademde in plaats van uitademde. Daar de verdachte op het oefenmondstuk op correcte manier lucht uitblies, concludeerde ik verbalisant dat de verdachte de ademanalyse bewust saboteerde en beëindigde ik verbalisant deze ademonderzoekprocedure. "
"ik verbalisant [verbalisant 1] besloot om [verdachte] nog een kans te geven een juiste blaastest af te leggen. Ik verbalisant gaf [verdachte] nogmaals een los mondstuk om hierop te oefenen. Ik verbalisant zag dat de man op dit mondstukinademde in plaats van uitademde."
"ik verbalisant [verbalisant 1] vroeg de man om diens rijbewijs. Wij verbalisanten zagen dat de man ons hierop eerst zijn mobiele telefoon gaf.”
"Wij verbalisanten hoorden dat de verdachte [verdachte] gedurende de hele autorit niet in staatwas
om een gesprek met ons te voeren."
"daarop probeerde ik eerste verbalisant een gesprek met de verdachte aan te knopen. Ik hoorde dat de verdachte onsamenhangend sprak, waardoor een normaal gesprek niet mogelijk was."En tenslotte moet in dit kader nog gemeld worden als passage uit proces-verbaal nr. pl2217 2011183426-1, blad 3, zesde alinea een constatering over beweerdelijke bedreigingen:
"deze bedreiging is door de collega niet serieus genomen gezien de toestand waarin de verdachte verkeerde."
"de bestuurder niet in staat was zijn wil kenbaar te maken”.
"er komt mij voor dat de stelling dat de verdachte om medische (psychische) redenen tijdelijk niet tot adequate wilsvorming in staat is geweest en/of zijn wil niet aan anderen kenbaar heeft kunnen maken indien feitelijk aannemelijk, bij een delict als in deze zaak tenlastegelegd een bewezenverklaring blokkeert."
"ik heb moeten blazen op een blaasapparaat. In het bureau heb ik vervolgens ook moeten blazen. Ik kan mij herinneren dat ik zo goed mogelijk op het ademanalyseapparaat heb geblazen."En verder:
"ik heb niet bewust de blaastesten gesaboteerd."
"door alle combinaties van het gebruik van de alcohol, frustratie, de eerste aanraking met de politie hebben geleid tot het weigeren niet voldoen aan de blaastesten en ander onderzoek."
"weigeren niet voldoen".
"weigeren".Het ware anders geweest indien gesproken zou zijn over
"opzettelijk niet voldoen".Daarvan is hier geen sprake. Daarbij moet nog bedacht worden dat het pv van verhoor, dat ruim 12 uren na de gang der gebeurtenissen is opgenomen, veel informatie bevat en kan bevatten die pas achteraf aan cliënt duidelijk is gemaakt door verbalisanten.
tweede middelklaagt – kort gezegd - dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had dienen te verklaren in zijn vervolging, nu “
het hof het onherroepelijk opleggen van het alcoholslotprogramma ex de artikelen 132b e.v. WVW 1994 had dienen aan te merken als een criminal charge in de zin van art. 6 EVRM Pro en het hof vervolgens toepassing had dienen te geven aan art. 68 Sr Pro, zoals dat artikel in het licht van art. 50 van Pro het EU Handvest en de Europese rechtspraak uitgelegd dient te worden”.
Op te leggen straf
kanworden gedaan. Voor de beantwoording van die vraag vindt de Hoge Raad – in het algemeen - bepalend of de beoordeling van het verweer verweven is met waarderingen van feitelijke aard. [4] Wanneer echter in cassatie voor het eerst geklaagd wordt over de schending van de redelijke termijn in feitelijke aanleg, oordeelt de Hoge Raad dat niet met vrucht over deze overschrijding kan worden geklaagd wanneer - kort gezegd - daarover wel geklaagd had
kunnenworden [5] , nu in deze gevallen moet worden aangenomen
“dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de sub 3.11 bedoelde dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd”. [6] Met andere woorden: door niet te klagen over schending van een bepaald recht van de verdachte geeft de verdediging aan dat het met die schending wel meevalt.
voor het onderhavige feiteen alcoholslotprogramma heeft opgelegd gekregen. [9] Daarbij neem ik uiteraard ook in aanmerking dat het hof überhaupt bij de strafoplegging rekening heeft gehouden met het inbouwen van het alcoholslot. Dat zou het hof immers niet hebben gedaan als het alcoholslotprogramma was opgelegd in een andere zaak tegen de verdachte. Voorts meen ik dat uit de stukken van het geding kan worden afgeleid dat het alcoholslotprogramma
onherroepelijkis opgelegd. Uit de ter terechtzitting door de verdachte afgelegde verklaring blijkt immers dat het alcoholslot op dat moment reeds was ingebouwd, terwijl voorts de zes-weken-termijn om bezwaar in te dienen tegen het op 12 januari 2012 gedateerde besluit van een bestuursorgaan als het CBR ten tijde van de terechtzitting reeds lange tijd was verstreken.
vermoeden dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven”, dat ingevolge art. 131, eerste lid onder b, WVW 1994 ten grondslag ligt aan het opleggen van een alcoholslotprogramma, is derhalve in sommige gevallen nauwelijks op feiten gebaseerd.