Conclusie
NJ2013/106. Tegen de in die zaak na cassatie en verwijzing gewezen uitspraak [1] is thans een eveneens een cassatieberoep aanhangig (zaaknr. 14/04469).
1.Feiten en procesverloop
a)voor recht zal verklaren dat Bpf Bouw, als rechtsopvolgster van het Vroegpensioenfonds en het VUT-fonds, onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld en
b)Bpf Bouw zal veroordelen tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat, die [verweerder] heeft geleden doordat deelname aan de aanvullende regelingen van Bpf Bouw niet meer geïndiceerd is als gevolg van dit onrechtmatig handelen van Bpf Bouw.
grief I [18] richt zich tegen het (hiervoor onder 1.4 aangehaalde) oordeel van de kantonrechter in rov. 9 en klaagt in de kern dat Bpf Bouw, als rechtsopvolgster onder algemene titel van het Vroegpensioenfonds en het VUT-fonds, heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende wettelijke informatieplicht van art. 17 lid 1 Pensioen Pro- en spaarfondsenwet (PSW) [19] en met haar zorgplicht jegens [verweerder] . Daartoe wordt aangevoerd dat Bpf Bouw [verweerder] niet tijdig dan wel niet adequaat (namelijk zonder zich te vergewissen van de ontvangst van de brief en bij het uitblijven van een tijdige reactie te rappelleren) heeft geïnformeerd over enerzijds de beëindiging van de vroegpensioenregeling en de aanvullingsregeling en anderzijds het aanbod tot deelname in de ouderdomspensioenregeling en de aanvullende 55-/55+ regelingen van het fonds. Ter ondersteuning van dit betoog wordt gewezen op HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4465,
NJ2013/106. [20]
NJ2013/106 een informatieplicht bestond ten aanzien van de beëindiging van die aanvullingsregeling, laat staan ten aanzien van het aanbod tot deelneming in een andere en door een ander fonds uit te voeren regeling, althans het VUT-vervangende deel van dat aanbod. [21] Daarom rustte op Bpf Bouw ook geen zorgplicht met betrekking tot de daadwerkelijke ontvangst van (het VUT-vervangende deel van) het aanbod, aldus Bpf Bouw. [22]
2.Beoordeling van het cassatieberoep
ouderdomspensioenregelingvan Bpf Bouw: een ‘gewone’ ouderdomspensioenregeling waaraan [verweerder] als werknemer tot en met 4 november 2004 wettelijk verplicht heeft deelgenomen (verplichtstellingsbesluit ex art. 2 lid 1 Wpf Pro 2000). Dga ’s waren zowel voor als na 1 januari 2006 van verplichte deelneming uitgezonderd. Per 5 november 2004 heeft [verweerder] als dga niet meer – op vrijwillige contractuele basis – aan deze regeling deelgenomen. Deze regeling is per 1 januari 2006 verruimd;
VUT-regeling(niet te verwarren met de aanvullingsregeling van het VUT-fonds die door partijen en het hof ook wel met ‘VUT-regeling’ of iets daarop gelijkends wordt aangeduid): een cao-regeling die tot 1 januari 1998 heeft gegolden en die het mogelijk maakte dat werknemers die langere tijd in de bouw hadden gewerkt, vervroegd (voor de pensioendatum voor het levenslange ouderdomspensioen) konden uittreden onder toekenning van een VUT-uitkering. Hierbij was geen sprake van opbouw van een aanspraak gekoppeld aan het aantal jaren van deelneming. Financiering vond plaats op basis van omslag. Per 1 januari 1998 is deze regeling vervangen door de na te noemen vroegpensioenregeling;
vroegpensioenregelingvan het Vroegpensioenfonds: een per 1 januari 1998 ingegane regeling die het mogelijk maakte eerder dan met 65 jaar met vroegpensioen te gaan, maar anders dan een VUT-regeling gebaseerd was op opbouw van rechten in de jaren van deelneming. De regeling werd uitgevoerd door het Vroegpensioenfonds, een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet Bpf 2000. [verweerder] was als werknemer tot en met 4 november 2004 en als dga na 5 november 2004 tot en met 31 december 2005 verplicht deelnemer aan deze regeling. [28] Per 1 januari 2006 is de regeling komen te vervallen. Ten aanzien van deze regeling gold dat op 31 december 2005 opgebouwde rechten op vroegpensioen werden behouden, maar verdere opbouw vanaf die datum niet meer plaatsvond;
aanvullingsregelingvan het VUT-fonds: deze regeling werd ingevoerd in samenhang met de vroegpensioenregeling teneinde een aanvulling te geven aan die (vooral oudere) werknemers die kort na invoering van de vroegpensioenregeling de leeftijd voor ingang van de vervroegde pensioenuitkeringen bereikten en geen adequaat vroegpensioen meer hadden kunnen opbouwen voor vervroegde uittreding, terwijl ook de VUT-regeling was komen te vervallen. Deelname, ook voor dga’s, was wettelijk verplicht op grond van een algemeen verbindend verklaarde cao. De regeling – die in de woorden van Bpf Bouw een “VUT-achtig karakter” had, o.m. omdat zij werd gefinancierd op basis van omslag in plaats van opbouw – werd uitgevoerd door het VUT-fonds en is eveneens per 1 januari 2006 komen te vervallen. Ten aanzien van deze regeling gold dat de gewezen deelnemers geen rechten meer hadden.
ouderdomspensioenregelingvan Bpf Bouw: in verband met het vervallen van de vroegpensioenregeling is de pensioenopbouw in de ouderdomspensioenregeling van Bpf Bouw per 1 januari 2006 zodanig verruimd (van 1,95% naar 2,25% van de pensioengrondslag) dat vervroegd met ouderdomspensioen kon worden gegaan. Indien men op het aanbod in de brief van maart 2006 wilde ingaan, diende men ook (weer) deel te nemen aan de ouderdomspensioenregeling;
aanvullende regeling 55-van Bpf Bouw: een regeling voor deelnemers die op 1 januari 2005 jonger waren dan 55 jaar. Voor degenen die onder de verruimde ouderdomspensioenregeling niet voldoende aanspraken konden opbouwen (40 jaar) om eerder dan op 65-jarige leeftijd uit te treden, gold een aanvullingsregeling (voor elk ontbrekend jaar) onder voorwaarden;
aanvullende regeling 55+van het VUT-fonds: een regeling voor deelnemers die op 1 januari 2005 55 jaar of ouder waren, en die onder de verruimde ouderdomspensioenregeling niet meer voldoende extra pensioenaanspraken (40 jaar) konden opbouwen ten behoeve van uittreding op 62-jarige leeftijd. Zij hadden onder voorwaarden recht op een aanvulling (voor elk ontbrekend jaar), in sommige gevallen tegen betaling van een extra premie.
eerste klachtis vervat in de onderdelen 5.6.1 tot en met 5.6.5 en richt zich kennelijk tegen rov. 3.3.1 van het bestreden arrest, die – voorafgegaan door rov. 3.3 – als volgt luidt:
toevoeging A-G]. [verweerder] voert onder meer aan dat hij de brief van maart 2006 nooit heeft ontvangen en dat door Bpf Bouw nooit een herinnering is verzonden. De stelling van Bpf Bouw dat zij niet gehouden was meer te doen dan zij heeft gedaan omdat het in die brief gedane aanbod onverplicht was, ziet voorbij aan de verplichtingen van Bpf Bouw uit hoofde van artikel 17 PSW Pro, aldus [verweerder] . Hij heeft in hoger beroep de stelling betrokken dat Bpf Bouw jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door hem niet tijdig dan wel niet adequaat te informeren over enerzijds de beëindiging van de vroegpensioenregeling en de VUT-regeling en anderzijds het aanbod tot deelname in de ouderdomspensioenregeling en de (aanvullende) 55-/55+ regelingen van Bpf Bouw en daarop zijn vorderingen gegrond.
NJ2013/106 mede begrepen is een beëindiging van de regelingen vervat in de reglementen.
Onderdeel 5.6.2verbindt hieraan de gevolgtrekking dat er in het thans voorliggende geval enkel een zorgplicht gold voor het
pensioenfondsten aanzien van de beëindiging van de
vroegpensioenregeling. [30]
onderdeel 5.6.3dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de stelling van Bpf Bouw dat er geen (zorg)plicht was te informeren over de beëindiging van de
VUT-regelingdoor het
VUT-fonds. [31] Daarom is onjuist of onvoldoende gemotiveerd het oordeel van het hof dat de zorgplicht ten aanzien van de kennisgeving van het aanbod niet los kan worden gezien van de zorgplicht ten aanzien van de kennisgeving van het “vervallen van die eerdere
regelingen”, nu immers ten aanzien van het vervallen van de VUT-regeling geen zorgplicht bestond, althans deze niet kan worden gebaseerd op het door het hof in dit verband bedoelde art. 17 PSW Pro en het hof geen andere grondslag voor die zorgplicht geeft. Dit is temeer het geval nu Bpf Bouw heeft aangevoerd dat [verweerder] zich alleen maar baseert op art. 17 PSW Pro en enkel aanvoert dat het Vroegpensioenfonds de regeling heeft beëindigd. [32] Onderdeel 5.6.4voegt hieraan nog toe dat het hof (tevens) ten onrechte voorbij is gegaan aan de stelling van Bpf Bouw dat een schending van een (eventueel bestaande) informatieplicht met betrekking tot het
aanboduitsluitend kan worden aangenomen voor dat
deelvan het aanbod dat samenhangt met een beëindigde regeling waarvoor een informatieplicht heeft gegolden (de vroegpensioenregeling) en niet voor een regeling (de aanvullingsregeling van Bpf Bouw) die in de plaats komt van een regeling voor de beëindiging waarvan geen informatieplicht bestond (de VUT-regeling). [33] Voorts gaat het hof voorbij aan de stelling van Bpf Bouw [34] dat ook het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2013, waarop het hof voortbouwt, enkel gebaseerd is op de zorgplicht van art. 17 PSW Pro en – bijgevolg – niet over het einde van de VUT-regeling en een informatieplicht voor het VUT-fonds gaat, aldus
onderdeel 5.6.5.
NJ2013/106, gewezen in een zaak waarin eveneens partij waren Bpf Bouw en een dga ( [B] , geboren in 1946) die stelde de brief van maart 2006 niet te hebben ontvangen. In dat geval had het hof geoordeeld dat geen sprake was van onzorgvuldig handelen van (de rechtsvoorgangster van) Bpf Bouw door te volstaan met de verzending van een niet-aangetekende brief, omdat (i) geen wettelijke verplichting bestond om te informeren over de beëindiging van de regelingen (rov. 4.8) en (ii) geen verplichting bestond om een aanbod te doen als gedaan in de brief van maart 2006 (rov. 4.9). Deze oordelen, de daartegen gerichte cassatieklachten en de oordelen van Uw Raad terzake luiden als volgt.
beëindigingvan de regelingen als argument voor – kort gezegd – een zorgvuldige verzending van de brief had het hof aldus geoordeeld:
aanbodals zorgvuldigheidsbepalende factor had het hof overwogen:
Nu echterdat aanbod was vervat in de brief die de eerdere regelingen beëindigde en daarmee rechtstreeks verband hield, kan de zorgplicht die op (de rechtsvoorgangster van) Bpf Bouw rustte ten aanzien van de kennisgeving van het aanbod niet los worden gezien van de zorgplicht die op haar rustte ten aanzien van de kennisgeving van het vervallen van die eerdere regelingen. Het antwoord op de vraag in hoeverre op (de rechtsvoorgangers van) Bpf Bouw een zodanige zorgplicht rustte, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, en daarbij is ook van belang welke voor Bpf Bouw kenbare persoonlijke en financiële belangen voor (personen als) [B] waren betrokken bij het tijdig treffen van een vervangende voorziening in geval van beëindiging van de bestaande vroegpensioen- en vutregelingen.” (curs. A-G)
is gedaan– ongeacht of en op welke grondslag daartoe een verplichting bestond – en wordt afhankelijk gesteld van de omstandigheden van het geval.
gezamenlijkals vervanging van de per 1 januari 1998 afgeschafte VUT-regeling. Wat betreft het aanbod in de brief van maart 2006 kan eveneens worden opgemerkt dat de verruimde ouderdomspensioenregeling, de aanvullende regeling 55- en/of de aanvullende regeling 55+ niet direct kunnen worden gezien als een één op één vervanging van de vroegpensioenregeling respectievelijk de aanvullingsregeling van het VUT-fonds. Ook eerstgenoemde regelingen hangen sterk met elkaar samen en vullen elkaar aan. Bovendien was deelneming in
alle driedeze regelingen vereist. Zij gelden dan ook
gezamenlijkals vervanging van het totaalpakket van laatstgenoemde, per 1 januari 2006 afgeschafte regelingen.
tweede klachtis vervat in de onderdelen 5.6.6 tot en met 5.6.10 en richt zich kennelijk hoofdzakelijk tegen rov. 3.3.1 van het bestreden arrest, en daarnaast voor een deel tegen rov. 3.3.4.
onderdeel 5.6.6– dat kennelijk slechts een inleiding vormt op de overige onderdelen en geen zelfstandige klacht bevat – is niet zonneklaar of het rechts- dan wel motiveringsklachten aankondigt. Het stelt voorop dat Uw Raad de vraag omtrent de zorgplicht afhankelijk heeft gesteld van de omstandigheden van het geval en klaagt dat het hof dit heeft miskend door voorbij te gaan aan een aantal door Bpf Bouw aangevoerde argumenten en omstandigheden.
onderdelen 5.6.9 en 5.6.10klagen – in onderlinge samenhang gelezen – dat het hof (naar ik begrijp: in rov. 3.3.1 en 3.3.4) ten onrechte voorbij is gegaan aan de stelling van Bpf Bouw dat de omstandigheden (i) dat dga’s veelal willen blijven werken [42] en (ii) dat [verweerder] gestopt is met het aanleveren van premiegegevens, aangeven dat [verweerder] bekend was met het vervallen van de regelingen en dat er, gegeven die bekendheid en de onverplichtheid van het aanbod, geen afzonderlijke zorgplicht kan worden aangenomen ten aanzien van de kennisgeving van dat aanbod.
derde klacht– die is opgenomen in
onderdeel 5.6.11– richt zich kennelijk tegen rov. 3.3.5. Zij bouwt slechts voort op c.q. behelst een herhaling van voorgaande onderdelen, en moet derhalve hun lot delen.
vierde klacht– opgenomen in
onderdeel 5.6.12– ziet kennelijk op ’s hofs vaststelling dat sprake was van:
kenbarepersoonlijke en financiële belangen voor [verweerder] die waren betrokken bij het tijdig treffen van een vervangende voorziening bij beëindiging van voormelde vroegpensioen- en aanvullingsregeling (…)” (cursivering A-G)
“voor Bpf Bouw kenbare persoonlijke en financiële belangen”die
“voor (personen als) [B] waren betrokken”bij het tijdig treffen van een vervangende voorziening in geval van beëindiging van de bestaande regelingen. Het gaat daarmee niet slechts om de specifieke financiële belangen aan de zijde van [verweerder] die bij Bpf Bouw bekend waren – zoals Bpf Bouw het formuleerde – maar ook om de persoonlijke en financiële belangen die in het algemeen bestaan bij dga’s die in een dergelijke situatie verkeren en ook om de belangen die Bpf Bouw wellicht niet bekend waren, maar wel geacht mochten worden haar bekend te zijn. Subjectieve onbekendheid van Bpf Bouw met specifieke financiële belangen aan de zijde van [verweerder] is derhalve op zichzelf niet doorslaggevend. Het hof heeft het door Uw Raad aangereikte toetsingskader dan ook niet miskend.