ECLI:NL:PHR:2015:1394
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens onduidelijke kennisname terechtzitting
Verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een verstekvonnis van de kantonrechter wegens overtreding van de Wegenverkeerswet. Het hof baseerde dit op een stelbrief van de raadsman waarin de zittingsdatum werd genoemd, en concludeerde dat verdachte op de hoogte was van de terechtzitting. Hierdoor zou het hoger beroep te laat zijn ingediend.
De Hoge Raad oordeelt echter dat een dergelijke stelbrief onvoldoende is om aan te nemen dat verdachte daadwerkelijk op de hoogte was van de zittingsdatum, zoals vereist op grond van art. 408 lid 1 sub c Sv Pro. Ook eerdere jurisprudentie bevestigt dat een dergelijke brief niet automatisch betekent dat verdachte kennis had van de zitting.
Verder is vastgesteld dat de dagvaarding aan een ander dan verdachte op een adres te Utrecht is uitgereikt, zonder bewijs dat verdachte de dagvaarding heeft ontvangen of de inhoud kende. Het hof heeft geen nadere feiten vastgesteld die de kennisname van de zittingsdatum door verdachte aannemelijk maken.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging en terugwijzing, zonder ambtshalve gronden voor vernietiging.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.