ECLI:NL:HR:2004:AN8554

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01213/03
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408 lid 1 sub c Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens onbekendheid verdachte met zittingsdatum

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot tien weken gevangenisstraf wegens mishandeling en het niet voldoen aan een wettelijk bevel van een ambtenaar. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat het meende dat de verdachte vooraf bekend was met de datum van de terechtzitting, terwijl het hoger beroep te laat was ingesteld.

Namens de verdachte had de raadsman op 20 februari 2002 per fax verzocht om processtukken voor de zitting van 22 maart 2002 en zich op 9 maart 2002 als raadsman gesteld. Het hof achtte dit voldoende om te concluderen dat de verdachte de zittingsdatum kende. De Hoge Raad oordeelt echter dat deze omstandigheid niet automatisch betekent dat de verdachte zelf op de hoogte was van de zittingsdatum zoals bedoeld in art. 408 lid 1 sub c Sv Pro.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens gebrek aan nadere motivering en onbegrijpelijkheid van het oordeel. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting en afdoening van het hoger beroep. Hiermee wordt de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep opgeheven.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijs dat verdachte bekend was met de zittingsdatum.

Uitspraak

6 januari 2004
Strafkamer
nr. 01213/03
LR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 maart 2003, nummer 22/004144-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 22 maart 2002, waarbij de verdachte ter zake van 1. "mishandeling" en 2. "opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast en belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten" is veroordeeld tot tien weken gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt erover dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.
3.2. Het Hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen:
"Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de raadsman van de verdachte, mr M.R. Mantz, op 20 februari 2002 per fax heeft verzocht om de processtukken in de zaak onder parketnummer 0909025401 voor de zitting van 22 maart 2002, te 16.00 uur. Hij heeft daarbij aangegeven dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde gedetineerd was. Tevens heeft de raadsman zich bij fax d.d. 9 maart 2002 gesteld als raadsman in de onderhavige zaak. Het hof is van oordeel dat deze berichtgeving van de kant van de (toenmalige) raadsman is aan te merken als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de verdachte tevoren bekend was met de dag van de terechtzitting in eerste aanleg van 22 maart 2002.
De eerste rechter heeft vervolgens naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 22 maart 2002 diezelfde dag vonnis gewezen.
De verdachte had derhalve binnen veertien dagen na het op 22 maart 2002 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. Namens de verdachte heeft de raadsman echter eerst op 25 april 2002 hoger beroep ingesteld, zodat de verdachte daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard."
3.3. Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, is 's Hofs oordeel niet begrijpelijk. De enkele omstandigheid dat de raadsman er op de wijze als door het Hof vastgesteld van blijk heeft gegeven op de hoogte te zijn van dag en uur van de terechtzitting in eerste aanleg brengt immers nog niet mee dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was als bedoeld in art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv.
3.4. Het middel treft dus doel.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 6 januari 2004.