Conclusie
eerste middelkeert zich tegen de bewezenverklaring, meer in het bijzonder van het onderdeel dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld en de goederen afkomstig waren uit enig misdrijf.
Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] aan de [a-straat 1] te [plaats] werden twee groene mappen met administratie gevonden, waarin facturen en acceptgiro’s waren opgeborgen zowel ten name van verdachte als ten name van medeverdachte [medeverdachte], hetgeen een concrete aanwijzing vormt dat hun financiële huishouding niet gescheiden was. Ook uit de verklaringen van beide verdachten en die van getuige [betrokkene 1] kan worden afgeleid dat sprake is van een financiële verstrengeling van het huishouden van verdachte en met dat van de medeverdachte. Verdachte gaf medeverdachte [medeverdachte] maandelijks geld voor de hypothecaire lening en zij kreeg van hem geld ter betaling van de boodschappen. Medeverdachte [medeverdachte] betaalde acceptgiro’s die gericht waren aan de verdachte. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat zij meerdere auto’s van medeverdachte [medeverdachte] op zijn verzoek op haar naam had staan.
tweede middel, dat inhoudt dat het hof niet althans onvoldoende heeft gerespondeerd op het verweer dat van een gezamenlijke huishouding geen sprake is geweest, deelt het lot van het eerste middel. Voor zover wordt aangevoerd dat het hof niet heeft gerespondeerd op het standpunt dat ertoe strekt aan te voeren dat geen sprake is geweest van een gezamenlijke financiële huishouding, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft immers in de hiervoor onder 6 weergegeven overweging de – niet onbegrijpelijke - redenen opgegeven waarom het in zoverre is afgeweken van het standpunt van de verdediging. Het hof behoefde niet op elk detail van de argumentatie van de verdediging in te gaan. [4] Het oordeel van het hof is aldus toereikend gemotiveerd.
derde middelklaagt dat het hof niet (toereikend) heeft gerespondeerd op een verweer voor zover dat zag op het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet.