Conclusie
4.Middel 1
De regels voor een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens die zijn neergelegd in de WBP te stellen grenzen aan het vrij ten behoeve van de opsporing ter beschikking stellen van persoonsgegevens, alsmede aan het door de met de opsporing belaste instanties vragen van persoonsgegevens aan derden. Strafvorderlijke bevoegdheden zijn nodig om deze bescherming te doorbreken in die gevallen waarin het in belang van de opsporing nodig is die beschikking te krijgen over persoonsgegevens. Daarom zijn de bevoegdheden in het wetsvoorstel gesteld."2
Toestemming: Het OM is verantwoordelijk voor de inzet van opsporingsmiddelen in het onderzoek naar strafbare feiten. Voor de inzet van opsporingsberichtingeving
moet de hoofdofficier van justitie, op voorstel van de ( zaaksofficier van justitie, toestemming geven. De hoofdofficier van justitie onder wiens gezag het opsporingsonderzoek plaatsvindt, is verantwoordelijk voor de plaatsing en de inhoud van het opsporingsbericht (artikel 4.1 Aanwijzing);
Verdachten: Alleen in specifieke gevallen is opsporingsberichtgeving toegestaan. In de Aanwijzing wordt onder 4.3.1 een onderzoek naar onbekende
verdachtenals specifiek geval genoemd;
Proportionaliteit en subsidiariteit: Bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van opsporingsberichtgeving maakt het OM altijd een afweging van verschillende belangen, in de regel de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde enerzijds en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Daarbij is van belang dat het OM nadrukkelijk rekening houdt met het grote (en steeds grotere) bereik van verschillende mediavormen zoals het internet en de omstandigheid dat eenmaal gepubliceerde berichtgeving zich - bijvoorbeeld van het internet - niet meer zomer meer laat verwijderen of herroepen. Opsporingsberichtgeving kan de persoonlijke levenssfeer of andere belangen van betrokkenen raken (verdachte, slachtoffer, eventueel getuigen). Het OM moet met ieders belang rekening houden bij de beslissing om dit middel in te zetten. Net als bij de inzet van andere opsporingsmiddelen gelden de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Proportionaliteit: de zwaarte van het in te zetten middel dient in verhouding te staan tot het beoogde doel. Hierbij speelt de ernst van het gepleegde delict een rol. Subsidiariteit: het middel wordt ingezet
als een eventueel lichter middel niet tot voldoende resultaat heeft geleiddan wel zal kunnen leiden.
Als het doel ook met een voor verdachte minder belastend middel kan worden bereikt moet voor dat middel worden gekozen(artikel 4.4 Aanwijzing).
Landelijk niveau: Er zijn twee niveaus waarop besloten wordt over de publicatie en verwijdering van opsporingsberichtgeving: landelijk en regionaal. Hiervoor gelden verschillende procedures. Wanneer twijfel
moet gekozen worden voor het landelijke niveau(artikel 7.1 Aanwijzing);
Advies: Publicatie op landelijk niveau wordt uitgevoerd onder verantwoordelijk van de hoofdofficier van justitie onder wiens gezag het opsporingsonderzoek plaatsvindt. Voor publicatie van landelijke opsporingsberichtgeving is
een advies vereist van de voorzitter of plaatsvervangend voorzitter van het Landelijk Overleg Opsporingsberichtgeving(artikel 7.1.1. Aanwijzing);
Toestemming:Publicatie op lokaal of regionaal niveau wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het Regionaal Overleg Opsporingsberichtgeving. Voor de regionale opsporingsberichtgeving is
toestemming vereist van de hoofdofficier van justitie(artikel 7.1.2 Aanwijzing);