Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf wegens poging tot moord op 20 november 2003. Tijdens het hoger beroep heeft de verdediging herhaaldelijk verzocht om de getuige [betrokkene] te horen, die niet was verschenen en een belangrijke rol speelde in de bewijsvoering. Het hof benoemde een onafhankelijke psychiater om te onderzoeken of het horen van deze getuige de gezondheid zou schaden.
De psychiater rapporteerde dat de getuige niet wilde meewerken aan het onderzoek en dat het risico op ernstige gezondheidsproblemen, waaronder een posttraumatische stressstoornis, groot was bij gedwongen getuigenverhoor. Het hof besloot daarom af te zien van een bevel tot medebrenging en hernieuwde oproeping, omdat het onaannemelijk was dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zou verschijnen.
De verdediging stelde in cassatie dat het hof een verkeerde maatstaf had toegepast en dat het belang van de verdachte was geschaad doordat hij de getuige niet kon ondervragen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de juiste maatstaf had gehanteerd en dat het oordeel voldoende was gemotiveerd. Bovendien waren er andere bewijsmiddelen die het daderschap van verdachte ondersteunden. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.