ECLI:NL:PHR:2015:1770

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2015
Publicatiedatum
14 september 2015
Zaaknummer
14/04318
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 36f SrArt. 51f SvArt. 361 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest Hof Arnhem-Leeuwarden inzake schadevergoeding hennepkwekerij

In deze strafzaak is de verdachte door het Hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van het telen van hennep, diefstal en vernieling. De benadeelde partij had een schadevergoeding gevorderd voor materiële schade, waaronder kosten voor herstel van een laminaatvloer.

Het Hof kende een schadevergoeding toe tot een bedrag van € 3.775,- en legde een schadevergoedingsmaatregel op. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de toewijzing van de schadevergoeding, met name tegen de vergoeding van de laminaatschade, die werd betwist en waarvan de verzekering de vergoeding weigerde.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom een deel van de schadepost niet voor vergoeding in aanmerking komt en dat de motivering onbegrijpelijk en ontoereikend is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de schadevergoeding betreft en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

De overige onderdelen van het arrest blijven in stand. De Hoge Raad benadrukt dat in cassatie niet kan worden geklaagd over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij en dat de beslissing op de vordering met redenen moet worden omkleed, zeker wanneer verweer is gevoerd.

De zaak wordt terugverwezen zodat het Hof opnieuw kan oordelen over de omvang en toewijzing van de schadevergoeding, met een duidelijke motivering over de aannemelijkheid en specificatie van de schadeposten.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd voor zover het de schadevergoeding betreft en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 14/04318
Zitting: 30 juni 2015
Mr. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 23 mei 2014 de verdachte wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” en 3. “medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”, veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 uren hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en verdachte dienaangaande een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest nader is bepaald.
2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het
middelklaagt over de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
4. Blijkens de aan de Hoge Raad toegezonden stukken heeft [betrokkene 1] zich in eerste aanleg als benadeelde partij gevoegd voor een schadebedrag van in totaal € 4.085,-. De door de benadeelde partij geleden schade zou volgens het onderbouwde “Schadeopgaveformulier Misdrijven” van 5 juni 2012 zijn veroorzaakt door “schade als gevolg van een hennepkwekerij”. Voornoemd formulier houdt onder meer als opgave van de materiële schade in: “Derving huur € 3.125, nieuwe laminaatvloer € 910,- en advertentie Marktplaats € 50,-“. Ter onderbouwing van deze schade zijn aan het formulier drie bijlagen aangehecht en zijn handgeschreven aantekeningen geplaatst onder de opgegeven schade. Bijlage 1 betreft een (vrijblijvende) offerte voor het opruimen en herstellen van de schade als gevolg van een ontmantelde hennepkwekerij aan de [a-straat 1], Breukelen voor een totaalbedrag van € 7.924,21 waarbij een bedrag van € 910,- voor herstel vloer (laminaat) (€ 350,- voor materiaal + € 560,- voor arbeid) is gespecificeerd. Als handgeschreven opmerking is opgenomen dat “de rest van de offerte is gedekt door de verzekering”.
5. Ter terechtzitting in eerste aanleg is de benadeelde partij verschenen. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt niet dat de benadeelde partij haar vordering mondeling nader heeft toegelicht.. De raadsvrouw van de verdachte heeft blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting gehechte pleitaantekeningen de vordering uitvoerig gemotiveerd betwist. Voor wat betreft de laminaatvloer wordt gesteld dat het niet mogelijk is dat deze schade heeft opgelopen en voorts dat ter onderbouwing van gemaakte kosten van de vloer slechts een offerte is overgelegd. De Rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij volledig toegewezen tot een bedrag van € 4.085,-. Vervolgens heeft de benadeelde partij door middel van een “wensenformulier” van 7 december 2013 aangegeven dat zij haar eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding in hoger beroep wenst te handhaven.
6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 9 mei 2014 blijkt dat van de kant van de verdediging de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij is betwist. In het proces-verbaal is het navolgende op dit punt opgenomen.
“De benadeelde partij, [betrokkene 1], verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:
Ik handhaaf de door mij ingediende vordering.
De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:
Ik vind de vordering van de benadeelde partij te hoog. In het pand was geen laminaat aanwezig. De benadeelde partij probeert er beter van te worden.
(…)
De benadeelde partij voert het woord - zakelijk weergegeven - als volgt:
Het is maar goed dat ik goed verzekerd ben. De totale schade bedroeg € 8.000,-. Ik heb foto's van het pand voor de verhuur aan verdachte en van na de verhuur. Ik kan op de foto's geen zeil ontdekken.
De voorzitter vraagt de benadeelde partij naar voren te komen om de foto's aan het hof en aan de verdachte te laten zien. Voorts verzoekt de voorzitter de verdachte om ook naar voren te komen teneinde de foto's te bekijken.
De verdachte merkt naar aanleiding van de getoonde foto's - zakelijk weergegeven - op:
Ik herken de woning. Ik zie naar mijn idee op de foto's dat er op de bovenverdieping zeil ligt.
De jongste raadsheer merkt op dat hij op de foto's toch duidelijk ziet dat op de bovenverdieping laminaat ligt.
(…)
De verdachte en de raadsman voeren het woord tot verdediging, waarbij de raadsman onder meer aanvoert:
(…) Ik ben het met de advocaat-generaal eens dat het netjes is om de schade te betalen. Helaas is het schadebedrag niet duidelijk te bepalen. De verzekering heeft een bedrag aan de benadeelde partij uitgekeerd. Niet duidelijk is welk bedrag door de verzekering is uitgekeerd.
(…)Voorts heeft uw hof te beoordelen of er laminaat in de vertrekken heeft gelegen. Ik kan het niet beoordelen. Ik verzoek u in ieder geval een correctie toe te passen in verband met afschrijving op het laminaat.”
7. Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.775,- en heeft een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het Hof heeft deze beslissing als volgt gemotiveerd:

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.085,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”
8. In de onderhavige zaak is de verdachte veroordeeld voor het samen met een ander telen van hennepplanten in een door hem gehuurde woning, het wegnemen van elektriciteit en het vernielen van die woning.
9. Voor zover het middel de klacht behelst dat het Hof de vordering van de benadeelde partij ten onrechte ontvankelijk heeft geacht, faalt het op de grond dat in cassatie niet voor het eerst kan worden geklaagd over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering op de grond dat deze niet rechtstreeks in haar belang is getroffen. De beoordeling van een dergelijke klacht vergt een onderzoek van feitelijke aard waarvoor in cassatie geen plaats is. [1]
10. Het middel bevat voorts de klacht dat de toewijzing door het Hof van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.775,- getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk en ontoereikend is gemotiveerd voor zover in deze toewijzing het oordeel besloten ligt dat de door de benadeelde partij opgegeven schadepost bestaande uit de kosten voor een nieuwe laminaatvloer een rechtstreeks gevolg zijn van het strafbare feit waarvoor de verdachte is veroordeeld. Daarbij wijst de steller van het middel in het bijzonder op de uitdrukkelijke betwisting van dit punt door de verdediging en de weigering tot vergoeding van deze schade door de verzekeraar.
11. Het ook in hoger beroep van toepassing zijnde art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. Deze beslissing dient alleen dan een bijzondere motivering te bevatten, indien door of namens de verdachte op enig punt een verweer is gevoerd [2] dan wel wanneer de beslissing zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. [3]
12. In de hiervoor onder 5 weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.775,- zal worden toegewezen, nu uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden en de verdachte tot vergoeding van die schade is gehouden. In dit oordeel ligt besloten dat een bedrag van € 310,- niet het rechtstreekse gevolg is van het bewezen verklaarde feit, zoals bedoeld in art. 51f, eerste lid, Sv en art. 361, tweede lid, aanhef en onder b, Sv. In het licht van (i) het tegen de vordering van de benadeelde partij gevoerde verweer, in het bijzonder voor zover dit wijst op de onduidelijkheid van het schadebedrag, (ii) de inhoud van de ingediende vordering van de benadeelde partij, (iii) hetgeen namens de benadeelde partij ter onderbouwing naar voren is gebracht en (iv) in aanmerking genomen dat het door het Hof toegewezen bedrag afwijkt van het in eerste aanleg door de Rechtbank toegewezen bedrag, is het oordeel van het Hof onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd. Het Hof heeft zich in het geheel niet uitgelaten over de aannemelijkheid van de gestelde omvang van de schade [4] en heeft verzuimd nader te specificeren waarom een bedrag van € 310,- niet voor vergoeding in aanmerking komt. De steller van het middel klaagt terecht dat de rekensom van het Hof niet te volgen is. De beslissing van het Hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is derhalve onvoldoende met redenen omkleed.
13. Het middel is terecht voorgesteld.
14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en tot terugwijzing van de zaak opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4725.
2.Vgl. HR 17 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1398, NJ 1999/151, HR 27 maart 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8361, NJ 1984/551, HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7762, NJ 2009/122, HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4607, NJ 2011/183, en Van Maurik, T&C Sv, 10e, aant. 4 op art. 361 Sv Pro.
3.Vgl. HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4607, NJ 2011/183 en HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7762.
4.Vgl. HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:928. Ik heb mij nog afgevraagd of in het oordeel van het Hof geacht kan worden besloten te liggen dat het Hof de materiaalkosten voor het herstel van de laminaatvloer € 350.- (exclusief BTW) buiten de schadevergoeding heeft willen houden, maar die kostenpost sluit niet direct aan op het verschil van € 310,- tussen de gevorderde en de toegewezen schade. Evenmin ligt de veronderstelling zonder meer voor de hand dat het Hof is uitgegaan van een beschadigde laminaatvloer, maar daarbij de suggestie van de raadsman heeft gevolgd om in ieder geval een bedrag af te schrijven. Een reddingsoperatie van de beslissing van het Hof langs één van beide wegen berust mijns inziens echter te zeer op giswerk.