Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof het beroep op noodweer(exces) onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Daartoe is onder meer aangevoerd dat ’s Hofs arrest een innerlijke tegenstrijdigheid bevat. Het Hof heeft, door het vonnis te bevestigen, de bewijsbeslissing van de Rechtbank in stand gelaten, waaronder het voor het bewijs bezigen van de ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte, onder meer inhoudende dat het slachtoffer verdachte - direct voorafgaand aan het door verdachte steken met een mes - heeft geslagen en daarna dreigend een mes heeft getoond. Bij zijn bespreking van het beroep op noodweer heeft het Hof evenwel geoordeeld dat deze door verdachte gegeven verklaring van de feitelijke gebeurtenissen (zoals ten grondslag gelegd aan het gevoerde verweer), niet aannemelijk is geworden.
“4.3 Het oordeel van de rechtbank
tweede middelbehelst de klacht dat het Hof bij de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om een contra-expertise [5] te gelasten door mw. C. de Ruiter een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, althans dat het Hof de afwijzing van het verzoek onvoldoende met redenen heeft omkleed. Daartoe is aangevoerd dat het Hof ten onrechte niet in overweging heeft genomen de eis van een eerlijke procesvoering en het belang van de verdachte.
Contra-expertise