De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag, waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard in de vervolging van verdachte wegens het wederrechtelijk binnendringen en verblijven in een pand te Rotterdam. Het hof baseerde deze niet-ontvankelijkverklaring op de conclusie dat de ontruiming van het pand onrechtmatig was en dit een onherstelbaar vormverzuim opleverde volgens artikel 359a Sv.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten (ECLI:NL:HR:2014:3306, 3307 en 3308) waarin is geoordeeld dat een onrechtmatige ontruiming op grond van artikel 551a Sv niet kan worden aangemerkt als een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Op deze grond vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling.
Verder merkt de Hoge Raad op dat de cassatietermijn door de verdachte met ruim negen maanden is overschreden, maar dat dit in de nieuwe behandeling bij het hof aan de orde kan komen. De Hoge Raad ziet geen andere gronden voor vernietiging en beperkt zich tot deze motivering.
De oorspronkelijke strafzaak betrof medeplegen van kraken, waarbij de rechtbank verdachte veroordeelde tot een taakstraf, subsidiair hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf. In hoger beroep werd het OM niet-ontvankelijk verklaard, hetgeen nu door de Hoge Raad wordt teruggedraaid.