Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met brandstichting van de rechtspersoon Woningstichting [A] .
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin verdachte is veroordeeld wegens bedreiging met brandstichting van de rechtspersoon Woningstichting [A]. De bedreiging bestond uit dreigende uitlatingen van verdachte, waaronder de woorden: "Als ik weg moet dan steek ik het hier in de fik" en "dan steek ik de wagen in de fik".
Het hof heeft geoordeeld dat deze uitlatingen bij voor de woningstichting relevante natuurlijke personen, waaronder de aangeefster die namens de woningstichting aangifte deed, in redelijkheid de vrees konden doen ontstaan dat het kantoor van de woningstichting in brand zou worden gestoken. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en berust op een gedegen bewijsvoering, waaronder verklaringen van de aangeefster die zich daadwerkelijk bedreigd voelde.
De kern van het cassatiemiddel betrof de vraag of een rechtspersoon als slachtoffer kan worden aangemerkt bij bedreiging met brandstichting. De Hoge Raad bevestigt dat dit mogelijk is, omdat de wetstekst en systematiek van het Wetboek van Strafrecht dit niet uitsluiten en omdat ook de handelingsvrijheid van een rechtspersoon kan worden aangetast door bedreiging.
De Hoge Raad wijst erop dat de beoordeling van de redelijke vrees een objectieve toets is, waarbij het gaat om de redelijke vrees bij relevante natuurlijke personen verbonden aan de rechtspersoon. De aard van het delict brandstichting leent zich er bovendien toe dat het tegen een rechtspersoon kan worden gericht. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat bedreiging met brandstichting van een rechtspersoon strafbaar is en verwerpt het cassatieberoep.