Conclusie
Inleiding
(…)
1. Ik legateer aan mijn echtgenote, [eiseres 1] voornoemd, alle goederen welke tot mijn nalatenschap zullen blijken te behoren, of zovele en zodanige daarvan als zij zal verkiezen, zulks tegen inbreng in mijn nalatenschap van de waarde der verkozen goederen.
2. De waardering van de verkozen goederen geschiedt in onderling overleg.
(…)
3. De inbreng zal geschieden door schuldigerkenning aan mijn erfgenamen.
11. Aan de vruchtgebruikster zullen toekomen alle vruchten die tijdens het vruchtgebruik afgescheiden of opeisbaar worden. Door de vruchtgebruikster zullen worden voldaan alle op de vruchten drukkende lasten alsmede de belastingen, verschuldigd over de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen, echter slechts voorzover deze tijdens de duur van het vruchtgebruik verschuldigd zullen worden, zonder dat bij de aanvang of het einde van het vruchtgebruik deswege enige verrekening zal plaatshebben.
(…)
1. Ik benoem, onder last van voorschreven legaten, tot mijn enige erfgenamen mijn kinderen, gezamenlijk en voor gelijke delen.
(…)
4. Indien een van mijn kinderen zich tegen enige bepaling van dit testament of tegen de uitvoering daarvan verzet, beperk ik het erfdeel van dat kind uitdrukkelijk tot zijn wettelijk erfdeel (legitieme portie). Het tengevolge hiervan vrijkomende gedeelte van mijn nalatenschap zal toekomen aan mijn echtgenote, die ik voor dat gedeelte alsdan tot erfgename benoem.
Het principale cassatieberoep
als erfgenaamzijn legitieme portie onbezwaard en ontving hij de rest van de making – ingeval geen ‘sanctie’ aan het inroepen van de legitieme was verbonden – eveneens als erfgenaam, zij het met de door de erflater gemaakte voorwaarde of last. Met de als cautio Socini aangeduide clausule bewerkstelligde de erflater dat de erfgenaam die zijn legitieme inriep, werd onthouden hetgeen uitging boven zijn legitieme portie. Zie over het rechtskarakter van het wettelijk erfdeel naar oud recht Asser-Van der Ploeg-Perrick, 1996 (twaalfde druk), nr 185 e.v.
erfrechtelijke bevoegdheid. De legitimaris kan immers geen recht doen gelden op meer dan zijn onbezwaarde legitieme portie, zodat in zoverre geen sprake is van een belemmering van de legitimaris in het uitoefenen van een erfrechtelijke bevoegdheid. Hetzelfde moet gelden voor de voorgangers van art. 4:4 lid 1 BW Pro, art. 1370 lid Pro 2 (oud) BW en later art. 4:921 (oud) BW.
dreigendvonnis hun ongelijk hebben erkend en de akte hebben getekend, faalt omdat deze omstandigheid, wat daar verder van zij, niet afdoet aan het oordeel van het hof dat [eisers] niet nader hebben onderbouwd waarom – in het licht van de ontkenning door [verweerder 2] en [verweerster 1] – sprake is geweest van verzet.