Conclusie
[verdachte]
middelklaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, althans dat het die beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd.
Parket bij de Hoge Raad
Verdachte werd bij verstek veroordeeld door de Rechtbank Noord-Holland wegens een verkeersovertreding en stelde namens zichzelf hoger beroep in met een brief gericht aan het Openbaar Ministerie, die echter bij het arrondissementsparket Noord-Holland binnenkwam in plaats van bij de griffie van de rechtbank. Het Hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk omdat het beroep niet tijdig was ingesteld volgens artikel 408 Sv Pro, mede omdat de brief niet als een geldige bijzondere volmacht werd beschouwd.
De Hoge Raad overwoog dat de brief van verdachte, ondanks de verkeerde adressering, als een bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep moet worden gezien. Het verzuim van het arrondissementsparket om de brief door te zenden aan de griffie mag niet ten nadele van verdachte strekken. De Hoge Raad benadrukte dat de Wet stroomlijnen hoger beroep geen aanleiding geeft om de oude jurisprudentie over de doorzendplicht te verwerpen, zeker niet zolang de verdachte niet adequaat is geïnformeerd.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en wijst de zaak terug aan het Gerechtshof Amsterdam voor een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Hiermee wordt bevestigd dat formele fouten in de adressering van volmachtbrieven door verdachte niet automatisch leiden tot niet-ontvankelijkheid, vooral indien de brief tijdig is ontvangen door een justitiële instantie en de verdachte geen verwijt treft.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.