Conclusie
1.Feiten en procesverloop
( [1] )heeft de Officier van Justitie bij het Arrondissementsparket Limburg bij verzoekschrift, ter griffie van de rechtbank Limburg ingekomen op 10 februari 2015, aan de rechtbank verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) te laten opnemen en te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis/verpleeginrichting/zwakzinnigeninrichting. Bij dit verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, opgemaakt en op 5 februari 2015 ondertekend door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [de psychiater].
“Een voorwaardelijke machtiging zou in deze op zijn plaats zijn. Een voorwaardelijke machtiging is echter niet mogelijk voor een zwakzinnigeninrichting. De rechtbank zal daarom een voorlopige machtiging verlenen, waarbij zij er van uitgaat dat betrokkene zoals ter zitting met de aanwezigen besproken onder de hem bekende voorwaarden thuis kan verblijven.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
het gevaar-vereiste
( [2] )In zijn conclusie bij deze uitspraak merkt A-G mr. Langemeijer dienaangaande op:
“Gevaar is te verstaan als: kans op onheil. Het moet daarbij gaan om een voldoende ernstig gevaar. Dit heeft twee aspecten: enerzijds de mate van waarschijnlijkheid dat het gevreesde onheil intreedt en anderzijds de ernst van de gevolgen indien het gevreesde onheil zich verwezenlijkt. De wetgever heeft het eerste aspect als volgt onder woorden gebracht: ‘Gevaar’ is er niet pas, wanneer het onheil waarschijnlijk is; anderzijds is het er ook niet reeds wanneer het mogelijk is. Vereist is een enigszins belangrijke mogelijkheid, een ernstige mogelijkheid.”( [3] )
“De rechter overweegt dat er op dit moment geen sprake is van gevaar, maar dat heel recent (in februari 2015) daar wel nog sprake van is geweest.”In rov. 1.6 spreekt de rechtbank uit dat zij op grond van de stukken en de verhoren tot de overtuiging is gekomen dat de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken, waaraan zij toevoegt dat de stoornis betrokkene
momenteelgeen gevaar doet veroorzaken, maar dat dat nog zeer recent (februari 2015) wel het geval is geweest.
verlening van een voorlopige machtiging tot opnemen in een zwakzinnigeninrichting, terwijl directe opname in de inrichting niet in de bedoeling ligt; ‘paraplumachtiging’
“dat betrokkene zoals ter zitting met de aanwezigen besproken onder de hem bekende voorwaarden thuis kan blijven.“De grond waarop betrokkene thuis zou kunnen blijven, ondanks dat de verlening van een voorlopige machtiging tot opname en verblijf in een zwakzinnigeninrichting, vermeldt de rechtbank in de beschikking van 27 maart 2015 zelf niet. Wel merkt de rechtbank in rov. 1.6 nog op dat een voorwaardelijke machtiging – (als bedoeld in artikel 14a lid 1 Wet Bopz) – in de onderhavige situatie op zijn plaats zou zijn, maar dat een dergelijke machtiging voor een zwakzinnigeninrichting niet mogelijk is. Daarop wijst inderdaad artikel 14a lid 2, sub b, Wet Bopz. Aldaar wordt als vereiste voor het verlenen van een voorwaardelijke machtiging gesteld dat “het gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis,
niet zijnde een zwakzinnigeninrichtingof een verpleeginrichting, slechts door het stellen en naleven van voorwaarden kan worden afgewend. Wel staat aan het slot van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 27 maart 2015 opgetekend:
“De rechter overweegt dat er op dit moment geen sprake is van gevaar, maar dat heel recent (in februari 2015) daar wel nog sprake van is geweest. Eigenlijk zou een voorwaardelijke machtiging in deze situatie voor [betrokkene] het meest op zijn plaats zijn, maar dit is wettelijk gezien niet mogelijk door de aard van de opname instelling. Een voorlopige machtiging met ontslag op voorwaarden doet het meest recht aan het belang van [betrokkene] om het in de toekomst voor hem goed te laten blijven gaan.”Gelet op deze aantekening in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 maart 2015, valt aan te nemen dat de Rechtbank de voorlopige machtiging heeft verleend met de – in de beschikking zelf niet verwoorde maar wel tijdens de mondelinge behandeling geuite – aantekening dat aan betrokkene aanstonds ontslag op voorwaarden zal worden verleend. Dit type machtiging staat bekend als ‘paraplu-machtiging’. Stond voor de Rechtbank de door haar gekozen weg rechtens open?
( [4] )De verlening van deze machtiging speelde met name in gevallen, waarin het ging om verlening van een machtiging tot voortzetting van het verblijf in een psychiatrische inrichting ten aanzien van een betrokkene die op dat moment niet in de psychiatrische inrichting verbleef, het op zichzelf ook niet de bedoeling is dat hij na verlening van de machtiging weer aanstonds naar de inrichting terugkeerde, maar daarin wel weer direct zou kunnen worden opgenomen zodra hij zich niet zou houden aan afspraken met hem over de – vooralsnog extramuraal uit te voeren – behandeling. Deze machtiging fungeert zo als een ‘stok achter de deur’. Naar aanleiding van de invoering per 1 januari 2004 in de Wet Bopz van de figuur van de voorwaardelijke machtiging overweegt de Hoge Raad in zijn uitspraak van 11 november 2005
( [5] )echter onder meer het volgende:
( [7] )Op blz. 5 van die memorie wordt over de reikwijdte van de regeling van de voorwaardelijke machtiging opgemerkt:
( [9] )
( [10] )In lid 2 van dat artikel wordt aan een nationale wettelijke regel, die inbreuk op het recht op privéleven oplevert, de grens gesteld dat die regel slechts toelaatbaar is zolang en voor zover de inbreuk noodzakelijk is. Vanuit een oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit is, zoals hierboven uiteengezet, het uitsluiten van het toepassen van de voorwaardelijke machtiging bij een zwakzinnigen- of psychogeriatrische inrichting niet noodzakelijk te achten.