Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
3.Het geding in cassatie
4.Het discriminatieverbod onder het recht van de Europese Unie
Discriminatie: algemeen
Sotgiu, [10] the Treaty prohibits all covert forms of discrimination which, by the application of other criteria of differentiation, lead in fact to the same result as direct discrimination. The Court has found national rules imposing requirements concerning residence [11] and language [12] to be indirectly discriminatory: while nationale almost satisfy the condition, migrants do not.
Werkingssfeer van het gemeenschapsrecht
eigenlidstaat beroept op het discriminatieverbod, reeds in de hoedanigheid van ‘eigen’ onderdaan onder de personele reikwijdte van het gemeenschapsrecht: [17]
Saunderswhere a British woman could not use Union law to challenge an undertaking given to a criminal court in England that she return to Northern Ireland and that she did not visit England or Wales for three years. As the Court said, Union law does not apply to activities which have no factor linking them with any of the situations governed by Union law [28] and which are confined in all aspects within a single Member State. [29] This was also the situation in
Gauchard [30] where the manager of a French supermarket, who was prosecuted for extending his supermarket without permission, argued that the French rules breached Union law. The Court disagreed, saying that Union law did not apply because the company operating the supermarket was French and established in France, and its manager was French and resided in France. Therefore the case was exclusively internal to a Member State.
eigenlidstaat – beroepen op het EU-recht. In dat geval is, nu geen sprake is van een zuiver interne situatie, discriminatie van eigen onderdanen niet toegestaan. Mortelmans omschrijft deze situatie als volgt: [31]
Knoors [32] (1979). Knoors was een Nederlands onderdaan die rechtmatig op het grondgebied van België was verbleven en daar zijn vakbekwaamheid had verworven, en deze vervolgens – met een beroep op het EU-recht – in Nederland wilde uitoefenen. Het Hof oordeelde dat een eigen onderdaan van een lidstaat niet van het genot van dit EU-recht mag worden uitgesloten, indien hij zich ten opzichte van zijn eigen lidstaat in een overeenkomstige positie bevindt als andere justitiabelen die de door het EU-recht verzekerde rechten en vrijheden genieten.
Surinder Singh [33] (1992) betrof een man met de Indiase nationaliteit die met een Britse vrouw (EU-onderdaan) was gehuwd. De heer Singh en zijn vrouw zijn, nadat zij drie jaar in Duitsland waren verbleven (de Britse onderdaan op grond van haar zelfstandige verblijfsrecht voor communautaire werknemers, de heer Singh op grond van het voor hem als familielid geldende afgeleide verblijfsrecht), naar het Verenigd Koninkrijk verhuisd. De vraag of de heer Singh ter zake van zijn verblijf in Groot-Brittannië een beroep op het EU-recht toekwam, beantwoordde het Hof van Justitie bevestigend. Volgens het Hof zouden de verkeersvrijheden niet volledig kunnen worden benut indien een onderdaan van deze rechten gebruik heeft gemaakt, en de echtgenoot van deze onderdaan bij terugkeer naar de ‘eigen’ lidstaat niet dezelfde rechten zou toekomen als wanneer deze echtgenoot zich naar een andere lidstaat zou hebben verplaatst.
Werner [34] (1993) betrof een Duits onderdaan die in Duitsland werkzaam was als tandarts, maar woonachtig was in Nederland. Het Hof van Justitie oordeelde dat het EU-recht niet in de weg staat aan de situatie dat een lidstaat (in dit geval Duitsland) zijn eigen onderdaan die zijn beroepsactiviteit uitoefent op zijn grondgebied en die (nagenoeg) uitsluitend daar inkomen verwerft c.q. vermogen bezit, zwaarder belast indien hij niet in deze in deze staat woont, dan wanneer hij daar wel woont. Volgens het Hof was geen sprake van een grensoverschrijdende situatie waarop het Unierecht van toepassing is.
Asscher [35] (1996). Deze zaak betrof een Nederlands onderdaan die woonachtig was in België, en zowel in Nederland als in België werkzaamheden verrichtte. Het Hof van Justitie oordeelde dat eigen onderdanen van een bepaalde lidstaat niet van toepassing van het gemeenschapsrecht mogen worden uitgesloten, indien zij zich ten opzichte van hun eigen lidstaat in een vergelijkbare positie bevinden als alle andere personen die de door het verdrag gewaarborgde rechten en vrijheden genieten. Deze laatste omstandigheid deed zich volgens het Hof voor, daar
Asscher, door zich te vestigen in België en vanuit daar werkzaamheden in zowel België als in Nederland te verrichten, deelnam aan het vrije verkeer.
Surinder Singh. [39] In 1982 Mr Surinder Singh, an Indian national, married a British citizen. From 1983 to 1985 they lived in Germany where Mrs Singh was employed on a part time basis. This meant that under Union law she was a worker who was entitled to be joined by her spouse. [40] In 1985 she returned to the UK to run a business. The question was whether Mrs Singh’s husband could join her in the UK under Union law. If the situation was considered wholly internal then domestic law only would apply, with the result that Mr Singh was likely to be refused entry. If, however, the situation was not considered to be wholly internal then Union law would apply and Mr Singh could enter and remain in the UK as the spouse of an EU migrant.
Singhserves to confirm the earlier case of
Knoors, [44] where the Court found that a Belgian-qualified Dutch plumber who had worked in Belgium was entitled to rely on his Union law rights to work in the Netherlands (his home state) using his Belgian qualifications. The Court said that his position was ‘assimilated to that of another person enjoying their rights and liberties guaranteed by the Treaty’. [45]
Saunders, Gauchard, Moserand
Kremzowdemonstrate that nationals cannot invoke the free movement provisions against their own Member States if they have not exercised their rights of free movement in some way. [46] EU migrants (and nationals like Mrs Singh and Mr Knoors who have taken advantage of their Union law rights) may therefore enjoy more favourable treatment in the host state (since they enjoy the benefits of both EU law and national law) than non-migrant nationals who have not exercised their rights to free movement (they enjoy the benefits of national law only). This situation is referred to as ‘reverse discrimination’. [47]
Martínez Sala [54] (1998) oordeelde het Hof van Justitie dat de enkele omstandigheid dat een onderdaan van een lidstaat in een andere lidstaat verblijft, tot gevolg heeft dat deze onderdaan zich op het discriminatieverbod van (thans) art. 18 VWEU Pro kan beroepen in alle binnen de materiële werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallende situaties. Het Hof van Justitie oordeelde:
Martínez Sala [56] is the starting point of this analysis of European citizenship case law.
Martínez Salafell within the personal scope because she was “a national of a member State lawfully residing in the territory of another Member State.” [57] The same test was performed in the cases of
Grzelczyk, [58] Trojani, [59] Garcia Avello, [60] Bidar [61] and
Förster. [62] The fact that a national of another Member State is resident in the territory of another Member State is sufficient to activate the personal scope of Article 18 TFEU. The reasons for this migration are not crucial. The sole fact that a national of another Member State is a lawful resident is sufficient. [63]
Baumbast, waarin het overwoog: [66]
Bickel & Franz [67] (1998) oordeelde het Hof van Justitie:
Grzelczyk [68] (2001). Dit arrest betrof een Frans onderdaan die een studie volgde in België en sindsdien daar verbleef.
Grzelczykkwam bij het Hof van Justitie op tegen de weigering van de Belgische regering hem een bestaansminimum toe te kennen, op de grond dat hij geen onderdaan was van België. Op dezelfde gronden als genoemd in het hiervoor opgenomen arrest
Bickel & Franz, beantwoordde het Hof van Justitie de vraag of deze situatie binnen de reikwijdte van het Unierecht viel, bevestigend.
Carlos Garcia Avello [69] (2003) betrof een Spanjaard die met zijn (Belgische) echtgenote en twee (in België geboren) kinderen woonachtig was in België. De kinderen van de Spaanse onderdaan hadden zowel de Spaanse als de Belgische nationaliteit.
Garciawenste, overeenkomstig het gebruik in Spanje, zijn kinderen een dubbele achternaam te geven, hetgeen door de Belgische overheid werd geweigerd. Ter zake van de vraag of voornoemde situatie binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht viel, antwoordde het Hof van Justitie:
Pusa [70] (2004) ging om een Finse onderdaan die in zijn woonland Spanje (invaliditeits)pensioen ontving uit Finland en die, anders dan in Finland woonachtige onderdanen, geen recht kreeg op aftrek van voorbelasting, omdat dit geen Finse, maar Spaanse belasting betrof. Het Hof van Justitie oordeelde dat het feit dat in Finland geen rekening kan worden gehouden met de in Spanje verschuldigde belasting, een niet met art. 21 VWEU Pro te rechtvaardigen verschil in behandeling oplevert. Het Hof legt in dit arrest een zelfstandige toetsing aan van art. 21 VWEU Pro, en laat zich niet uit over de toepassing van art. 18 VWEU Pro. Van Eijken merkt hierover op (p. 66):
Bidar [71] (2005) kwam een Frans onderdaan die studeerde in het Verenigd Koninkrijk, een beroep toe op artikel 18 VWEU Pro, omdat hij volgens het Hof gebruikmaakte van zowel het in artikel 21 VWEU Pro opgenomen reisrecht (wegens zijn studie in Londen) als het verblijfsrecht (wegens zijn verblijf in het Verenigd Koninkrijk). Dat studeren in een andere lidstaat voldoende is om binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht te geraken, bleek ook uit het arrest
D’Hoop(2002). [72]
binnen de werkingssfeervan het Verdrag. [75] Artikel [21], zoals uitgelegd door het Hof, heeft de materiële werkingssfeer van het Verdrag daarom gevoelig uitgebreid. Weliswaar kent artikel [21], lid 1, Unieburgers het recht te reizen en verblijven toe “onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn gesteld.” Echter, juist omdat het Hof met artikel [21] een nieuwe categorie rechthebbenden en onderwerpen heeft aangeboord, zijn die ‘beperkingen en voorwaarden’ slechts in zeer geringe mate in secundaire regelgeving vastgelegd. (…)
Lawrie-Blummoet het begrip ‘werknemer’ ruim worden uitgelegd. Het Hof overwoog dienaangaande: [83]
Levin, Jurispr. 1982, blz. 1035).
sui generisheeft, evenmin als de meer of minder grote productiviteit van de betrokkene of de herkomst van de middelen waaruit het loon wordt betaald dan wel de geringe hoogte van dit loon, gevolgen hebben voor de hoedanigheid van werknemer in de zin van het gemeenschapsrecht (…)
Lawrie-Blum, [87] the essential feature of an employment relationship is that ‘for a certain period of time a person performs services for and under the direction of another person in return for which he receives remuneration’. (…)
Scholz [94] (1994) overwoog het Hof van Justitie dat iedere gemeenschapsonderdaan die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer van werknemers en die een beroepswerkzaamheid in een andere lidstaat heeft uitgeoefend, ongeacht zijn woonplaats en zijn nationaliteit onder de werkingssfeer van het vrij verkeer van werknemers valt.
Knoors-arrest verduidelijkt dat een lidstaat niet “omgekeerd” mag discrimineren tegen onderdanen die door gebruik te maken van de mogelijkheden op het gebied van vrije verkeer en vestiging, zich ten opzichte van hun staat van herkomst in een overeenkomstige positie bevinden als alle andere personen die door de Verdragen verzekerde rechten en vrijheden genieten. [98] Iedere Unieburger die een beroepswerkzaamheid in een andere lidstaat heeft uitgeoefend, valt onder de werkingssfeer van het vrije verkeer van werknemers of de vrije vestiging, ongeacht zijn of haar nationaliteit of woonplaats. [99] (…)
5.De discriminatieverboden van art. 14 EVRM Pro en art. 26 IVBPR Pro
certain margin of appreciationtoekomt bij de beoordeling van de vraag of een onderscheid in behandeling gerechtvaardigd is. Het EHRM oordeelde dat: [101]
Della Ciaja [102] (1999) wordt niet langer gesproken van een
certain, maar van een
wide margin of appreciation.
6.Wetgeving, rechtspraak en literatuur betreffende de kortingsregeling
7.Beschouwing en beoordeling van de middelen
Algemeen: de 30%-regeling en de kortingsregeling
De discriminatieverboden onder het recht van de Europese Unie
Baumbast. [149] Bovendien kwalificeert belanghebbende, gezien de in de jurisprudentie van het Hof van Justitie gegeven omschrijving van het begrip ‘werknemer’, [150] naar het mij voorkomt als communautair werknemer in de zin van art. 45 VWEU Pro, zodat ook op deze grond onder de personele reikwijdte van het Unierecht wordt gebracht.
Scholz, [151] waarin het Hof overwoog dat een onderdaan die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer van werknemers, ongeacht zijn woonplaats en zijn nationaliteit onder de werkingssfeer van het vrij verkeer van werknemers valt.
Bickel & Franz, [152] waarin het Hof met zoveel woorden oordeelde dat een situatie zich binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht afspeelt indien een onderdaan gebruikmaakt van het in artikel 21 VWEU Pro geregelde reis- en verblijfsrecht. [153]
Knoors [155] en
Asscher [156] volgt dat belanghebbende dan niet van toepassing van het gemeenschapsrecht kan worden uitgesloten.
Sopora, [160] waarin het Hof van Justitie heeft geoordeeld over de vraag of de in de 30%-regeling opgenomen bewijsregel twee verschillende groepen ingekomen werknemers (werknemers afkomstig van een gebied dat ligt binnen 150 km van de Nederlands grens, en werknemers die afkomstig zijn van buiten de 150 km-grens) discrimineert. Het Hof van Justitie oordeelde in dit arrest dat ‘op zichzelf’ geen sprake is van indirecte discriminatie naar nationaliteit dan wel van een belemmering van het vrije verkeer van werknemers, daar de situaties van beide groepen werknemers niet (volledig) gelijk zijn [161] en de regeling bovendien een legitiem doel dient (het bevorderen van het vrije verkeer van werknemers). Ongelijke gevallen mogen ongelijk worden behandeld.
Soporain beginsel geen gevolgen voor belanghebbende, nu in het onderhavige geval sprake is van gelijke gevallen die gelijk worden behandeld. [164] Daar immers ingekomen werknemers met een niet-Nederlandse nationaliteit die overigens in dezelfde positie verkeren als Nederlandse onderdanen, door de kortingsregeling op gelijke wijze in de toepassing van de 30%-regeling worden beperkt als ingekomen Nederlandse werknemers, kan van systematische en duidelijke overcompensatie van ingekomen werknemers die een andere dan de Nederlandse identiteit hebben, geen sprake zijn. Beide groepen worden gelijk behandeld.
níeteerder in Nederland verbleven (en dus niet door de kortingsregeling worden getroffen). Ik meen dat, wegens de tussen deze groepen bestaande objectieve verschillen, geen sprake is van gelijke gevallen, en zodoende het gemeenschapsrecht in beginsel geen gelijke behandeling van deze groepen vereist.
Sopora –anders zijn indien toepassing van de 30%-regeling ertoe leidt dat ingekomen werknemers die niet eerder in Nederland verbleven, systematisch en duidelijk worden overgecompenseerd. Oftewel: indien blijkt dat belanghebbende ten opzichte van deze groep onevenredig ongelijk wordt behandeld. In dat geval zou, gezien dit arrest
,alsnog sprake zijn van discriminatie dan wel een belemmering van het vrij verkeer van werknemers.