Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1richt zich in vier subonderdelen tegen rechtsoverweging 4.24, waarin het hof als volgt heeft overwogen:
Parket bij de Hoge Raad
Partijen zijn in 1987 in gemeenschap van goederen getrouwd en in 2012 gescheiden. De rechtbank bepaalde dat de vrouw tot zes maanden na inschrijving van de echtscheiding in de registers in de voormalige echtelijke woning mocht blijven wonen. In een latere beschikking stelde het hof de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast en wees het verzoek van de man toe om een gebruiksvergoeding van €250 per maand van de vrouw te ontvangen voor het gebruik van de woning sinds november 2012.
De vrouw stelde in cassatie dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat zij het verzoek van de man onvoldoende had betwist, terwijl de man zijn verzoek niet voldoende had onderbouwd. Ook klaagde zij over een vermeende ambtshalve aanvulling van de feiten door het hof en het niet voldoen aan de kenbaarheidseis van een grief.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat het verzoek van de man niet nieuw was en dat de vrouw het verzoek wel degelijk had betwist. Het hof had geen onjuiste rechtsopvatting gegeven en de klachten faalden. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat de vrouw een gebruiksvergoeding aan de man moet betalen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het hof oordeelt dat zij een gebruiksvergoeding aan de man moet betalen.