Conclusie
1.Feiten en procesverloop
( [2] )Op blz. 9 staat ten aanzien van [betrokkene 2] opgetekend dat aan de toedeling aan hem de gehoudenheid van hem is te verbinden om de helft van de waarde aan [betrokkene 1] te vergoeden, te vermeerderen met een redelijke gebruiksvergoeding vanaf 11 juli 1979 en te verminderen met hetgeen reeds aan [betrokkene 1] is voldaan. In een vervolgens door [betrokkene 2] bij de rechtbank Amsterdam tegen [betrokkene 1] aangespannen procedure vordert [betrokkene 2] toedeling van de onderneming aan hem.
( [3] )dat het hof de verdeling aldus zal vaststellen dat de onderneming, althans het toenmalige ondernemingsvermogen, aan [betrokkene 2] c.q. zijn erfgenamen wordt toebedeeld onder de verplichting van [betrokkene 2] om aan [betrokkene 1] ten titel van overbedeling de helft van de waarde van dat ondernemingsvermogen uit te keren. De toedelingsbeslissing zelf wordt in het tussenarrest zelf nog niet genomen. Als peildatum voor de bepaling van de nog in geschil zijnde omvang en de waarde van het ondernemingsvermogen stelt het hof 11 juli 1979 vast. Het hof overweegt verder:
( [4] )de waarde van de onderneming per 11 juli 1979 vastgesteld op fl. 1.778.893,- (€ 807.226,-), waarvan, zo oordeelt het hof, de helft, derhalve € 403.613,-, aan [betrokkene 1] toekomt,
“te vermeerderen met een vergoeding voor het door [betrokkene 1] gemist rendement over dit bedrag van 8,33% per jaar vanaf 11 juli 1979 tot aan de dag der algehele voldoening en te verminderen met eventuele bedragen die [betrokkene 1] in het verleden reeds ter zake van overbedeling mocht hebben ontvangen”.Het hof beslist verder in het dictum tot bekrachtiging van het eindvonnis van de rechtbank Amsterdam d.d. 11 maart 1992, waarin beslist was tot toedeling van de rondvaartonderneming aan [betrokkene 2]
( [5] )
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
subonderdeel 1.1wordt erover geklaagd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te miskennen dat, toen het hof Amsterdam in zijn tussenarrest d.d. 10 juni 1999 en eindarrest d.d. 12 mei 2009 de rendementsvergoeding vaststelde, zowel krachtens de artikelen 3:166 lid 3 en/of 3:169 jo. 3:166 lid 3 BW als krachtens het vóór 1 januari 1992 geldende recht betekenis toekwam aan de redelijkheid en billijkheid. Althans is het hof niet inhoudelijk op een op redelijkheid en billijkheid stoelende stellingname van [eiser] ingegaan, waardoor zijn oordeel omtrent de inhoud van de rendementsvergoeding niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd. In
subonderdeel 1.2wordt in verband met deze motiveringsklacht opgemerkt dat ’s-hofs oordeel niet begrijpelijk wordt met de referte van het hof aan het verdelingsvoorstel van [betrokkene 2] zoals verwoord in het proces-verbaal van zwarigheden. In
subonderdeel 1.3wordt de gestelde onjuistheid en/of onbegrijpelijkheid van ’s hofs oordeel over de rendementsvergoeding toegelicht en uitgewerkt met een beroep op het gemotiveerde betoog van [eiser] dat het hof Amsterdam in zijn tussen- en eindarrest uit 1999 respectievelijk 2009 beoogd heeft om [betrokkene 1] te compenseren niet alleen voor het feit dat zij niet kon beschikken over haar aandeel in het kapitaal van de onderneming, maar ook voor het feit dat met haar aandeel in de onderneming winst is gemaakt, althans had kunnen worden gemaakt, welke winst haar door (de erven van) [betrokkene 2] is onthouden. Op dit betoog heeft het hof niet, althans niet voldoende begrijpelijk gerespondeerd, zo wordt gesteld.
( [6] )In rov. 5.3 van dat arrest overweegt de Hoge Raad:
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
( [7] )De vordering ter zake van over-/onderbedeling zal niet eerder kunnen ontstaan dan het tijdstip waarop de rechter onherroepelijk omtrent de verdeling beslist.