In deze zaak heeft de verdediging verzocht om vier getuigen te horen die tegenstrijdige verklaringen hadden afgelegd over een vechtpartij tussen verdachte en aangever. Het hof Arnhem-Leeuwarden wees dit verzoek af wegens gebrek aan noodzaak en onvoldoende motivering.
De verdediging voerde aan dat verdachte uit noodweer of noodweerexces handelde, nadat hij een kopstoot en slagen van aangever zou hebben ontvangen. Het hof oordeelde echter dat de door de verdediging gestelde feitelijke toedracht niet aannemelijk was geworden, mede op basis van verklaringen van getuigen die een woordenwisseling en wederzijds geweld bevestigden.
De Hoge Raad toetste de motivering van het hof en stelde vast dat het hof begrijpelijk heeft geoordeeld dat het verzoek om getuigen te horen onvoldoende gemotiveerd was en dat het beroep op noodweer en noodweerexces terecht werd verworpen. Er waren geen gronden voor vernietiging van het arrest van het hof.