ECLI:NL:PHR:2015:2120

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 september 2015
Publicatiedatum
15 oktober 2015
Zaaknummer
14/05803
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 434.1 SvArt. 359a SvArt. 361 lid 2 onder b SvArt. 6:98 BWArt. 51f Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt deel vonnis wegens onvoldoende strafmotivering en bewijswaardering over overvallen met geweld

De Hoge Raad heeft op 8 september 2015 het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 10 november 2014 gedeeltelijk vernietigd. De zaak betreft meerdere gewelddadige overvallen gepleegd op 8 augustus 2012 in Voorthuizen, Zeist en Odijk, waarbij verdachte samen met anderen betrokken was. Het hof had verdachte veroordeeld voor medeplegen van afpersing, poging tot afpersing, en diefstal met geweld, en een gevangenisstraf van tien jaar opgelegd.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom verdachte medepleger was van het geweld in de tweede fase van de overval in Voorthuizen, terwijl verdachte zich daar volgens zijn verweer van had gedistantieerd. Ook was de strafmotivering ontoereikend omdat het hof verwees naar een uittreksel justitiële documentatie en een trajectconsult die niet in het dossier aanwezig waren, terwijl die stukken cruciaal waren voor de strafoplegging.

Verder stelde de Hoge Raad vast dat het hof onterecht had aangenomen dat er camerabeelden bestonden van de woning in Zeist waarop een gestolen Mercedes-Benz te zien was, wat een belangrijk bewijs was voor de betrokkenheid van verdachte bij de overval aldaar. Dit leidde tot onvoldoende motivering van het oordeel dat het alternatieve scenario van de verdediging niet aannemelijk was. Ook het hof had niet adequaat gereageerd op het verweer dat de tijdslijn van de overval praktisch onmogelijk maakte dat verdachte erbij was.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het betrekking had op de overval in Zeist en de strafoplegging, en verwees de zaak terug voor hernieuwde behandeling. Voor het overige werd het beroep verworpen. De vorderingen van de benadeelde partijen werden door het hof terecht toegewezen. De uitspraak benadrukt het belang van volledige en juiste motivering van strafoplegging en bewijswaardering, vooral bij complexe zaken met medeplegen en meerdere betrokkenen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt gedeeltelijk vernietigd wegens onvoldoende strafmotivering en onjuiste bewijswaardering, met terugverwijzing voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 14/05803
Zitting: 8 september 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 10 november 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, onder parketnummer 05/900998-12 wegens 1. “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, 2. “poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; en poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld. Verdachte is daarnaast onder parketnummer 05/820239-13 wegens 1. “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, en 2. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd”, veroordeeld. Ten aanzien van genoemde feiten heeft het hof tien jaren gevangenisstraf opgelegd. Daarnaast is de vordering van drie benadeelde partijen toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Er bestaat samenhang met de zaak 14/06583. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte zes middelen van cassatie voorgesteld.
  • Het eerste en tweede middel zijn gericht tegen het bewezenverklaarde medeplegen van de onder parketnummer 05/900998-12 ten laste gelegde overval op een woning in Voorthuizen.
  • Het derde middel keert zich tegen de weerlegging door het hof van een als ‘alternatief scenario’ aangemerkt standpunt van de verdediging ten aanzien van de onder parketnummer 05/820239-13 sub 1 ten laste gelegde overval op een woning in Zeist.
  • In het vierde middel wordt geklaagd dat het hof niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat verdachte het onder parketnummer 05/820239-13 sub 1 tenlastegelegde, de overval op de woning in Zeist, niet kan hebben gepleegd.
  • Het vijfde middel bevat een klacht over de strafmotivering.
  • Het zesde middel tenslotte ziet op de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 11] en [betrokkene 12] . Mr. E.A.L. Ponjee heeft namens de benadeelde partijen [betrokkene 11] en [betrokkene 12] een verweerschrift ingediend, aanvullende stukken ingebracht en het standpunt van die benadeelde partijen nog kort toegelicht.
3. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
(onder parketnummer 05/900998-12)
“1.
hij op 8 augustus 2012 te Voorthuizen, gemeente Barneveld, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [betrokkene 12] en/of [betrokkene 11] hebben gedwongen tot de afgifte van een (Suzuki-)sleutel toebehorende aan [betrokkene 12] en/of [betrokkene 11] , welk geweld en welke bedreiging met geweld -onder meer- hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders een woning (aan de [e-straat 1] ) zijn binnengegaan/binnengedrongen en [betrokkene 12] en/of [betrokkene 11] (met kracht) meermalen hebben geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt en dié [betrokkene 11] bij de keel hebben/heeft gegrepen en de keel van [betrokkene 11] (met kracht) hebben dichtgeknepen en [betrokkene 12] over de grond hebben/heeft gesleept en pepperspray, althans een dergelijke (vloei-)stof, in de richting van [betrokkene 11] hebben gespoten en met een mes hebben gestoken in de richting van [betrokkene 11] en een en met een vuurwapen kogels in de benen
/been van [betrokkene 11] hebben geschoten, en (daarbij) dreigend hebben geroepen: "Schiet hem dood" en "Geld" en "Pinpas" en "(Motor-)Sleutels",
2.
hij op 08 augustus 2012 te Voorthuizen, gemeente Barneveld, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [betrokkene 12] en [betrokkene 11] te dwingen tot de afgifte van een of twee motoren en een of meer andere goederen van hun gading, toebehorende aan [betrokkene 12] en/of [betrokkene 11] , tezamen en in vereniging met verdachtes mededaders, zich heeft begeven naar (de omgeving van) een woning (aan de [e-straat 1] te Voorthuizen), waarna verdachte en verdachtes mededaders die woning (aan de [e-straat 1] ) zijn binnengegaan/binnengedrongen en (vervolgens) [betrokkene 12] en/of [betrokkene 11] (met kracht) meermalen hebben geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt en [betrokkene 11] bij de keel hebben/heeft gegrepen en de keel van [betrokkene 11] (met kracht) hebben dichtgeknepen en [betrokkene 12] over de grond hebben gesleept en pepperspray, althans een dergelijke (vloei-)stof, in de richting van [betrokkene 11] hebben gespoten en met een mes hebben gestoken in de richting van [betrokkene 11] en een vuurwapen in de richting van [betrokkene 11] hebben gehouden en met een vuurwapen kogels in de benen van [betrokkene 11] hebben geschoten, en (daarbij) dreigend hebben geroepen: "Schiet hem dood" en "Geld" en "Pinpas" en "(Motor-)Sleutels", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
en
hij op 08 augustus 2012 te Voorthuizen, gemeente Barneveld, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen twee motoren en een of meer andere goederen van hun gading, toebehorende aan [betrokkene 12] en [betrokkene 11] , en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen [betrokkene 12] en [betrokkene 11] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, tezamen en in vereniging met verdachtes mededaders, zich heeft begeven naar (de omgeving van) een woning (aan de [e-straat 1] te Voorthuizen), waarna verdachte en verdachtes mededaders die woning (aan de [e-straat 1] ) zijn binnengegaan/binnengedrongen en (vervolgens) [betrokkene 12] en/of [betrokkene 11] (met kracht) meermalen hebben geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt en [betrokkene 11] bij de keel hebben/heeft gegrepen en de keel van [betrokkene 11] (met kracht) hebben dichtgeknepen en [betrokkene 12] over de grond hebben gesleept en pepperspray, althans een dergelijke (vloei-)stof, in de richting van [betrokkene 11] hebben gespoten en met een mes hebben gestoken in de richting van [betrokkene 11] en een vuurwapen in de richting van [betrokkene 11] hebben gehouden en met een vuurwapen kogels in de benen van [betrokkene 11] hebben geschoten, en(daarbij) dreigend hebben geroepen: "Schiet hem dood" en "Geld" en "Pinpas" en “(Motor-)Sleutels", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”
(onder parketnummer 05/820239-13)
“1.
hij op 8 augustus 2012 te Zeist, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portefeuille en een (bank-)passen (onder meer van de ABN/AMRO-bank en/of de ING-bank) en geld en een agenda en een televisietoestel en een beeldje toebehorende aan [betrokkene 1] ,
welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [betrokkene 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,
welk geweld en welke bedreiging met geweld -onder meer- hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders een woning (aan de [a-straat 1] te Zeist) zijn binnengegaan/ binnengedrongen en [betrokkene 1] (met kracht) meermalen) hebben geslagen, geschopt [betrokkene 1] (met kracht) bij de nek hebben gepakt en [betrokkene 1] naar een slaapkamer hebben getrokken en [betrokkene 1] (aldaar) op de grond hebben gegooid, en (daarbij) -dreigend- hebben geroepen: "Geld, geld moet ik hebben" en "bankpas" en "pincodes", althans dergelijke -dreigende- woorden hebben geuit;
2.
hij, op meerdere tijdstippen, op 08 augustus 2012 te Odijk, gemeente Bunnik, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:
# een geldbedrag van 250 euro (omstreeks 17.31 uur, middels ABN/AMRO-bankpas),
# een geldbedrag van 250 euro (omstreeks 17.32 uur, middels ING-bankpas),
# een geldbedrag van 750 euro (omstreeks 17.34 uur, middels ABN/AMRO-bankpas),
# een geldbedrag van 148 euro (omstreeks 17.40 uur, middels ING-bankpas) en/of
# een geldbedrag van 520 euro (omstreeks 17.55 uur, middels ING-bankpas)
toebehorende aan [betrokkene 1] , waarbij verdachte telkens het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas met bijbehorende pincode;”
4. De eerste twee middelen grijpen terug op het ter terechtzitting van het hof ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende het verweer dat het met de overval op de woning in Voorthuizen gepaard gaande geweld in twee te onderscheiden fases is uitgeoefend en dat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt van het in de tweede fase uitgeoefende geweld. Daaraan zou hij zich in die fase juist nadrukkelijk hebben onttrokken door de woning uit te vluchten. Daarom zou in die tweede fase niet gesproken kunnen worden van een nauwe en bewuste samenwerking en verdachte niet als medepleger van het in die fase uitgeoefende geweld kunnen worden aangemerkt. Op dit verweer heeft het hof niet gereageerd terwijl het geweld dat is gebruikt in die tweede fase wel is opgenomen in de bewezenverklaring van feit 1 en 2.
5. Het
eerste middelkeert zich tegen het bewezenverklaarde medeplegen in de tweede fase van de onder parketnummer 05/900998-12 ten laste gelegde overval op een woning in Voorthuizen. In het
tweede middelwordt geklaagd over (de motivering van) de bewezenverklaring van het medeplegen van het vuurwapengeweld in de eerste fase van die overval. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
6. Uit de uitgebreide bewijsoverwegingen van de rechtbank, die door het hof zijn overgenomen, volgt dat verdachte vanaf het begin nauw betrokken is geweest bij de gepleegde overval. Daaruit blijkt dat verdachte erbij was toen medeverdachte [betrokkene 4] opdracht werd gegeven om navraag te doen van wie de motoren waren die verdachte en zijn medeverdachten op een aanhangwagen hadden zien staan, dat verdachte vervolgens samen met de medeverdachten achter de auto met die aanhangwagen is aangereden, op de camping de Zanderij op zoek is gegaan naar de eigenaren en de woning van de eigenaren van de motoren, de aangevers [betrokkene 11] en [betrokkene 12] , is binnengegaan. Daarna is geprobeerd [betrokkene 11] en [betrokkene 12] door middel van geweld en dreiging met geweld te laten verklaren waar de motorsleutels waren en of er geld in huis was. Uit de bewijsoverwegingen volgt verder dat verdachte (in elk geval) erbij was toen één van de overvallers (kennelijk medeverdachte [betrokkene 5] ) een pistool op [betrokkene 11] richtte, één van de andere overvallers riep: “Schiet hem dood” [1] en er daadwerkelijk werd geschoten. Hij was er ook bij toen [betrokkene 12] klappen kreeg waardoor ze wegzakte en toen zij naar de bank werd gesleept. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat (ook) verdachte heeft geroepen waar de sleutels van de motoren waren, dat hij [betrokkene 12] bij de nek heeft vastgehouden, met pepperspray heeft gespoten, dat hij samen met de andere daders heeft gevochten met [betrokkene 11] , en [betrokkene 12] schoppen in de rug heeft gegeven. Op grond hiervan heeft het hof zonder meer kunnen oordelen dat verdachte op dat moment, in die zogenoemde ‘eerste fase’ zodanig bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders dat sprake was van medeplegen van de overval. Dat wordt door de steller van het middel ook niet betwist.
7. Wel wordt er in het tweede middel, dat betrekking heeft op deze ‘eerste fase’, over geklaagd dat het hof niet heeft gereageerd op het verweer of uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdachte, dat hij er niet van op de hoogte was dat medeverdachte [betrokkene 5] een pistool bij zich had en volstrekt werd verrast door het vuurwapengeweld, zodat hij daarvoor niet als medepleger verantwoordelijk kan worden gesteld. In dat verband wordt er tevens over geklaagd dat het hof zonder voldoende motivering voorbij is gegaan aan het (uitdrukkelijk onderbouwde) standpunt van de verdediging dat de verklaringen van [betrokkene 11] en [betrokkene 12] voor zover inhoudend dat verdachte en zijn medeverdachte niet waren verrast voor het schieten maar dat de schutter integendeel juist door de andere overvaller zou zijn aangemoedigd om te schieten, onbetrouwbaar zijn. Kennelijk is bedoeld te betogen dat verdachte geen - voor de bewezenverklaring van medeplegen vereiste - opzet heeft gehad op dat vuurwapengeweld.
8. Het hof heeft het desbetreffende verweer inderdaad niet uitdrukkelijk gemotiveerd weerlegd. Tot cassatie hoeft dat echter niet te leiden nu de weerlegging kan worden gevonden in de door het hof overgenomen bewijsvoering van de rechtbank. Uit hetgeen door de rechtbank is vastgesteld volgt dat verdachte samen met zijn medeverdachten het plan heeft opgevat om de motoren te stelen, daar dus vanaf het begin bij betrokken is geweest en daartoe samen met hen de eigenaren van de motoren in hun woning heeft overvallen. Gelet daarop en de omstandigheid dat het niet voor de hand lag dat de eigenaren van de motoren zonder enige druk of vorm van verzet hun eigendom zouden laten afnemen, heeft het hof kunnen oordelen en kennelijk ook geoordeeld, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte zich ervan bewust is geweest dat ingeval van verzet er geweld zou kunnen worden gebruikt, dat ook zou kunnen escaleren en dat verdachte die mogelijkheid bewust heeft aanvaard. Ook dit wordt in het cassatiemiddel niet betwist.
9. Het middel heeft slechts betrekking op de vraag of verdachte als medepleger voor het vuurwapengeweld in de eerste fase van de overval verantwoordelijk kan worden gehouden. Ik meen dat ook deze vraag beantwoord is in de door het hof overgenomen bewijsvoering van de rechtbank. Weliswaar volgt hieruit niet dat voorafgaand aan de overval is gesproken over (het eventuele gebruik van) het pistool en/of dat verdachte vooraf wist dat zijn medeverdachte een pistool bij zich had, maar daaruit blijkt wel dat medeverdachte [betrokkene 5] al vrij snel nadat de verdachte en zijn mededaders in de woning waren, in aanwezigheid van onder meer de verdachte met het pistool dreigde. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, had de verdachte, als het voor hem een verrassing was dat [betrokkene 5] een pistool bij zich had, zich op dat moment nog kunnen onttrekken aan de situatie of eventueel kunnen proberen [betrokkene 5] ervan te weerhouden om gebruik te maken van het pistool. Uit niets blijkt echter dat verdachte zich toen op wat voor manier dan ook heeft gedistantieerd van het gebruik van het pistool. Kortom, uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat verdachte in ieder geval voorwaardelijk opzet heeft gehad op het gebruik van het vuurwapen, waarmee het bedoelde verweer van de verdediging is weerlegd. [2]
10. Ten aanzien van de klacht dat het hof niet heeft gereageerd op het standpunt of verweer van de verdediging dat de verklaringen van [betrokkene 11] en [betrokkene 12] onbetrouwbaar zijn voor zover deze inhouden dat één van de overvallers zou hebben gezegd: “schiet hem dood”, kan het volgende worden opgemerkt. Uit de ter terechtzitting van 1 september 2014 overgelegde pleitaantekeningen blijkt dat door de verdediging kort samengevat beargumenteerd is betoogd dat de door [betrokkene 11] en [betrokkene 12] afgelegde verklaringen met de nodige behoedzaamheid gewaardeerd moesten worden, nu
I. die verklaringen betrekking hebben op een situatie waarin emoties een onmiskenbare rol hebben gespeeld,
II. die verklaringen in de loop der tijd veranderd zijn,
III. de aangevers niet in alle opzichten consistent hebben verklaard en er aanwijzingen zijn van wederzijdse beïnvloeding, en
IV. zij niet op alle vragen antwoord hebben willen geven en zij een duidelijk belang hadden om een net iets andere situatie te schetsen dan zich in werkelijkheid heeft voorgedaan.
Daarbij is er onder meer op gewezen dat [betrokkene 11] en [betrokkene 12] verschillende verklaringen hebben afgelegd met betrekking tot de schoten die zijn gelost, dat zij beiden aanvankelijk hebben verklaard dat het schieten ook voor hen onverwachts was en dat [betrokkene 11] heeft verklaard dat hij aanvankelijk niet eens door had dat werd geschoten. Vervolgens is geconcludeerd dat voldoende aannemelijk was gemaakt dat niet voetstoots kon worden uitgegaan van de juistheid van de door [betrokkene 11] en [betrokkene 12] afgelegde verklaringen, maar dat moest worden onderzocht welke passages wel en niet kloppen en dus dat die verklaringen moesten worden getoetst op betrouwbaarheid aan de hand van objectieve gegevens. [3]
Ter terechtzitting van 27 oktober 2014 is nog betoogd dat geen geloof kan worden gehecht aan de latere verklaringen van [betrokkene 11] en [betrokkene 12] dat het schieten door de mededaders is aangemoedigd. [4]
11. Het hof heeft inderdaad nagelaten expliciet te reageren op hetgeen door de verdediging omtrent de betrouwbaarheid van de bedoelde verklaringen van [betrokkene 11] en [betrokkene 12] naar voren is gebracht. Het hof heeft echter ook zonder de betwiste opmerking van de beide aangevers uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte mede verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik van het vuurwapen. Ik verwijs naar hetgeen ik daaromtrent onder 9 heb opgemerkt. Deze klacht kan gelet daarop bij gebrek aan belang buiten bespreking blijven.
12. De (motivering van de) weerlegging van het standpunt dat de verklaringen van [betrokkene 11] en [betrokkene 12] onbetrouwbaar zijn, ligt bovendien besloten in de bewijsmotivering van de rechtbank. Daaruit volgt immers dat [betrokkene 11] en [betrokkene 12] beiden hebben verklaard dat één van de andere mannen dan de schutter zei “schiet hem dood” zodat die verklaringen elkaar ondersteunen, terwijl de rechtbank verder heeft overwogen dat hun verklaringen worden ondersteund door forensisch bewijs en verklaringen van [betrokkene 4] op grond waarvan de (door de verdediging ingenomen) stelling dat [betrokkene 11] en [betrokkene 12] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, is verworpen. Daarbij merk ik op dat het feit dat zij in eerste instantie beiden hebben verklaard dat het schieten ook voor hen volstrekt onverwachts was, anders dan de steller van het middel lijkt te betogen, niet zonder meer betekent dat hun latere verklaring dat zij hoorden dat één van de mededaders de schutter aanspoorde om te schieten, ongeloofwaardig is. Gezien de ook door de steller van het middel aangehaalde hectiek en emoties van het moment is het immers niet ondenkbaar dat [betrokkene 11] en [betrokkene 12] die aansporingen op dat moment weliswaar hoorden, maar dat zij niet verwachtten dat daaraan ook gevolg zou worden gegeven.
13. Voor zover wordt geklaagd dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het standpunt dat de verklaringen van [betrokkene 11] en [betrokkene 12] onbetrouwbaar zijn, kan het (tweede) middel dus niet tot cassatie leiden.
14. Uit de bewijsoverwegingen van de rechtbank volgt dat, zoals in het middel ook wordt gesteld, de mannen vervolgens de woning hebben verlaten waarna medeverdachte [betrokkene 5] weer is teruggegaan, de terrasdeuren heeft ingegooid met een steen, een steen in het gezicht van [betrokkene 11] heeft gegooid en in gevecht is geraakt met [betrokkene 11] waarbij hij de keel van [betrokkene 11] dicht heeft gedrukt. De rechtbank (en ook het hof) hebben in overeenstemming met het standpunt van de verdediging aangenomen dat verdachte daarbij niet aanwezig was. Gelet op de bewezenverklaringen onder 1 en 2 zijn die gedragingen echter wel mede aan verdachte toegerekend. Daarover wordt in het
eerste middelgeklaagd.
15. Ik zie niet in welk belang de verdachte heef bij deze klacht. Ook als de betwiste onderdelen worden weggelaten uit de bewezenverklaring blijft er immers nog voldoende over om de resterende bewezenverklaarde gedragingen te kunnen kwalificeren als medeplegen van de overval, terwijl de betwiste onderdelen gelet op de wél bewezenverklaarde gedragingen en de overige bewezenverklaarde feiten, niet een dermate groot deel uitmaken van de bewezenverklaringen dat aannemelijk is dat bij weglating daarvan de opgelegde straf lager zou zijn uitgevallen. Nu niet is aangegeven welk belang de verdachte heeft bij deze klacht, kan het middel reeds daarom niet tot cassatie leiden.
16. Ten overvloede merk ik op dat het hof de gedragingen van de medeverdachte [betrokkene 5] in de ‘tweede fase’ zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting ook aan verdachte heeft kunnen toerekenen. Hetgeen zich in die ‘tweede fase’ heeft afgespeeld vloeit immers voort uit de ‘eerste fase’ waarbij verdachte wel aanwezig en nauw betrokken was. Het kan niet anders zijn dan dat verdachte heeft opgemerkt dat medeverdachte [betrokkene 5] weer terug de woning is binnen gegaan, terwijl niet blijkt dat verdachte zich daarvan heeft gedistantieerd of heeft geprobeerd [betrokkene 5] tegen te houden.
17. Ik merk daarnaast op dat, ook na de aanscherping en verduidelijking van het begrip medeplegen door de Hoge Raad, niet is vereist dat in geval van medeplegen sprake is van een (volledige) gezamenlijke uitvoering van het feit. Het enkele feit dat verdachte niet alle uitvoeringshandelingen van het tenlastegelegde feit mede heeft verricht is onvoldoende voor de conclusie dat verdachte die handelingen dus niet mede heeft gepleegd. Het gaat erom of de verdachte een intellectuele en/of materiële bijdrage heeft geleverd aan het delict van voldoende gewicht. Bij het oordeel of sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking kan de rechter onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. [5] Gelet daarop en gelet op hetgeen vooraf is gegaan aan die ‘tweede fase’ is het oordeel dat verdachte ook als medepleger van de gedragingen van [betrokkene 5] in die ‘tweede fase’ kan worden aangemerkt, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
18. Beide middelen falen.
19. Het
derde middelkeert zich met zes deelklachten (a t/m g) tegen de weerlegging door het hof van een als ‘alternatief scenario’ aangemerkt standpunt van de verdediging met betrekking tot het onder 1 van parketnummer 05/820239-13 tenlastegelegde overval op de woning van aangever [betrokkene 1] te Zeist. Dat alternatieve scenario houdt kortgezegd in dat verdachte ten tijde van de overval niet in de woning is geweest en dat hij de overval dus niet (mede) heeft gepleegd.
20. De rechtbank heeft bewezen geacht dat verdachte samen met anderen de bedoelde overval heeft gepleegd en vervolgens met de gestolen pinpassen meerdere geldbedragen heeft gepind, op grond van kort samengevat de volgende feiten:
V. op camerabeelden is te zien dat de verdachte in Odijk kort na de overval met de pinpas van de aangever tot twee maal toe heeft gepind,
VI. zijn telefoon is op die dag in Odijk aangestraald terwijl verdachte daarvoor geen verklaring voor heeft gegeven,
VII. getuige [betrokkene 7] heeft verklaard dat de auto “die deels te zien is op de camerabeelden bij de woning van [betrokkene 1] ” zijn ontvreemde Mercedes Benz A klasse kan zijn, van welke auto kan worden vastgesteld dat verdachte daar die dag samen met [betrokkene 5] , [medeverdachte] en [betrokkene 4] in reed, en
VIII. [betrokkene 4] heeft verklaard dat ze in de kofferbank van genoemde auto op 8 augustus 2012 op een gegeven moment een televisie zag staan, die er aan het begin van de dag nog niet stond, terwijl bij de overval op [betrokkene 1] die dag een televisie is weggegenomen. [6]
21. De bewijsoverwegingen van de rechtbank op p. 16-17 houden hieromtrent onder meer het volgende in:
"
De gebruikte auto
Op 31 juli 2012 is er ingebroken in de woning van [betrokkene 7] . Bij deze inbraak is onder andere een personenauto, merk Mercedes Benz, type Al60, kleur grijs, met kenteken [AA-00-BB] weggenomen. Op beelden van een beveiligingscamera in de buurt van de overval op [betrokkene 1] is een personenauto te zien. Deze afgebeelde personenauto is getoond aan [betrokkene 7] . [betrokkene 7] verklaart dat deze auto zijn ontvreemde Mercedes Benz A160 kon zijn, gezien het feit dat de velgen van het voertuig op de beelden overeen kwamen met de velgen van zijn weggenomen Mercedes Benz. "
De rechtbank verwijst bij die overweging naar p. 448 van het dossier.
22. In hoger beroep heeft de raadsman blijkens zijn ter terechtzitting van 1 september 2014 overgelegde pleitaantekeningen, ten overstaan van het hof betoogd dat weliswaar uit camerabeelden blijkt dat verdachte na de overval in Odijk heeft gepind met (kennelijk) de van [betrokkene 1] gestolen pinpassen, maar dat de door de raadsman met name aan de hand van telefoongegevens gereconstrueerde tijdlijn, laat zien dat verdachte niet bij de overval in Zeist betrokken kan zijn geweest. Daarnaast is aangevoerd dat er naast de (niet betwiste) vaststelling dat verdachte degene is geweest die kort na de overval op [betrokkene 1] heeft gepind met diens gestolen pinpassen, er geen andere aanwijzingen zijn dat verdachte bij de overval op [betrokkene 1] betrokken is geweest. Daarbij is gewezen op verschillende feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij daar niet bij betrokken is geweest en is gemotiveerd aangegeven hoe de gestolen pinpassen dan wel in het bezit van de verdachte zijn gekomen. [7] Ten aanzien van de gestelde herkenning door getuige [betrokkene 7] van zijn auto op camerabeelden bij de woning van [betrokkene 1] is door de verdediging in het bijzonder aangevoerd:
"32. Het antwoord op die vraag kan, anders dan de rechtbank heeft gemeend, niet worden gevonden in de verklaring van [betrokkene 7] . Die getuige is de eigenaar van de gestolen auto, waarin [verdachte] , [medeverdachte] en [betrokkene 4] op 8 augustus 2012 reden. Tot tweemaal toe heeft de rechtbank in het vonnis gesteld dat [betrokkene 7] zijn auto heeft herkend op beelden van beveiligingscamera's in de buurt van de overval op [betrokkene 1] en zelfs op camerabeelden bij de woning van [betrokkene 1] . Het gezang van de Sirenen moet wel heel mooi zijn geweest: die voorstelling van zaken is namelijk gewoon pertinent onjuist. Er zijn geen beelden "bij de woning van [betrokkene 1] " of zelfs maar "in de buurt van de overval op [betrokkene 1] ". De beschikbare beelden zijn namelijk niet in Zeist gemaakt, maar in Odijk. Met die beelden in Odijk is [betrokkene 7] geconfronteerd, niet met beelden in Zeist. Ik ga ervan uit dat uw gerechtshof inmiddels begrijpt waarom ik durf te beweren dat het vonnis van de rechtbank met waarheidsvinding weinig van doen heeft gehad."
23. Het bestreden arrest van het hof houdt vervolgens in, voor zover hier van belang:
“Bewijsoverweging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder parketnr. 05-820239-13 onder 1 ten laste gelegde feit vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft bij gelegenheid van zijn pleidooi een scenario geschetst waarin niet verdachte maar anderen de overval hebben gepleegd en in welk scenario verdachte op de bewuste dag niet in de woning is geweest. Ter onderbouwing van dit alternatieve scenario heeft de raadsman het volgende, zakelijk weergegeven, naar voren gebracht.
De raadsman heeft het hof gewezen op de door hem geconstrueerde tijdslijn, het proces-verbaal van bevindingen van 10 september 2012, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , welk proces-verbaal op grond van artikel 359a Wetboek van Strafvordering uitgesloten dient te worden van het te bezigen bewijs, en andere aanwijzingen die, aldus de raadsman, duiden op de onschuld van verdachte. Concluderend heeft de raadsman aangevoerd dat op grond van de inhoud van het voorliggende dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van de overval in de woning is geweest en evenmin da hij op andere wijze enig aandeel heeft gehad in de overval, zodat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het door de raadsman geschetste alternatieve scenario waarbij verdachte op 8 augustus 2012 niet in de woning is geweest, is naar het oordeel van het hof, gelet op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen niet aannemelijk geworden.
Vooropgesteld moet worden dat het scenario door de raadsman bij pleidooi naar voren is gebracht pas in hoger beroep aan de orde is gesteld. Verdachte heeft zich gedurende het vooronderzoek en het onderzoek in eerste aanleg beroepen op zijn zwijgrecht.
Het is uiteraard het recht van een verdachte om te zwijgen, maar door geen verklaring af te leggen heeft verdachte tot aan het onderzoek in hoger beroep, geen enkel aanknopingspunt geboden dat steun geeft aan het thans door de raadsman geschetste alternatieve scenario. Daarnaast is het hof van oordeel dat de door de eerste rechter gebezigde bewijsmiddelen - in onderlinge samenhang bezien - dusdanig belastend zijn voor verdachte dat het minst genomen op zijn weg had gelegen om aan te geven waarom daaraan desondanks moet worden getwijfeld. In dit verband wijst het hof onder meer op de verklaring van de getuige [betrokkene 7] dat de auto die te zien is op de camerabeelden bij de woning van [betrokkene 1] , zijn gestolen Mercedes Benz A klasse kan zijn, gezien het feit dat de velgen van het voertuig op de beelden overeen komen met de velgen van zijn gestolen Mercedes Benz. Van deze auto is genoegzaam vastgesteld dat verdachte deze auto bestuurde; hij is op de camerabeelden door meerdere verbalisanten herkend als de chauffeur van die auto. De getuige [betrokkene 4] heeft verklaard dat zij in de kofferbak van die auto op 8 augustus 2012 een televisie zag staan, die er aan het begin van de dag nog niet stond, terwijl bij de overval op [betrokkene 1] die dag een televisie is weggenomen.
Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat afdoende is komen vast te staan dat [betrokkene 1] zich heeft vergist in het aanvangstijdstip van de overval.
(…)
Anders dan de raadsman heeft betoogd acht het hof de bewijsconstructie van de eerste rechter, onder aanvulling van de verklaring van de getuige [medeverdachte] , voldoende om op grond daarvan te komen tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.”

Klacht a t/m c

24. De eerste klacht van het middel (klacht a) houdt in dat het hof het vonnis van de rechtbank ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd heeft bevestigd nu de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat er beelden zijn van beveiligingscamera’s in de buurt van of bij de woning van [betrokkene 1] in Zeist waar de onder 1 van parketnummer 05/0820239-13 tenlastegelegde overval heeft plaatsgevonden. De tweede klacht (b) keert zich tegen de weerlegging van het door het hof als “alternatief scenario” aangemerkte standpunt, nu daarbij een beroep is gedaan op de hiervoor genoemde camerabeelden die er (dus) niet zijn. Klacht c houdt in dat als wordt onderkend dat bedoelde camerabeelden niet bestaan, de overweging van het hof dat genoemd alternatief scenario niet aannemelijk is geworden gelet op de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen onjuist en in elk geval onbegrijpelijk is.
25. Uit de door het hof overgenomen bewijsoverwegingen van de rechtbank kan worden afgeleid dat ten aanzien van de bewezenverklaring van de betrokkenheid van de verdachte bij de overval op [betrokkene 1] , een belangrijke bewijswaarde is toegekend aan het feit dat getuige [betrokkene 7] zijn auto, waarvan is vastgesteld dat verdachte daarin samen met zijn medeverdachte heeft gereden op de dag waarop de hier bedoelde overval is gepleegd, heeft herkend op camerabeelden bij de woning van [betrokkene 1] . De overige drie specifiek door de rechtbank genoemde omstandigheden waarop zij haar oordeel kennelijk heeft gebaseerd, vormen immers vooral bewijs voor het feit dat verdachte van [betrokkene 1] gestolen voorwerpen tot zijn beschikking heeft gehad maar niet direct voor zijn betrokkenheid bij de overval.
26. Het hof heeft vervolgens ter verwerping van het geschetste alternatieve scenario gewezen op die door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en daarbij onder meer expliciet erop gewezen dat de auto die op camerabeelden bij de woning van [betrokkene 1] is te zien de auto is waarvan genoegzaam is vastgesteld dat verdachte die auto bestuurde nu hij op de beelden door meerdere verbalisanten is herkend als de chauffeur van die auto. Hoewel het hof ook aanhaalt dat de verdachte tot aan het onderzoek in hoger beroep geen enkel aanknopingspunt heeft geboden dat steun geeft aan het door de raadsman geschetste alternatieve scenario, verwijst naar de verklaring van [betrokkene 4] dat zij in de kofferbak van die auto op 8 augustus 2012 een televisie zag staan, die er aan het begin van de dag nog niet stond, terwijl bij de overval op [betrokkene 1] die dag een televisie is weggenomen, vormt de vaststelling dat op camerabeelden bij de woning van [betrokkene 1] die auto is te zien mijns inziens de belangrijkste grond voor de verwerping van het scenario dat verdachte niet betrokken is geweest bij de overval. De overige door het hof genoemde omstandigheden vormen immers geen van alle direct of doorslaggevend bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij de overval en passen bovendien in het alternatieve scenario van de verdachte dat hij niets te maken heeft gehad met de overval, maar enkel daarna de beschikking heeft gekregen over de gestolen passen en televisie.
27. Daarmee wordt de vraag of het dossier al dan niet beelden bevat, die zijn opgenomen bij de woning van [betrokkene 1] , waarop een auto is te zien die overeenkomsten vertoont met de Mercedes Benz van [betrokkene 7] van doorslaggevend betekenis voor de begrijpelijkheid van de verwerping van het alternatieve scenario. De rechtbank verwijst bij haar overweging dat de desbetreffende auto op camerabeelden is te zien bij de woning van [betrokkene 1] naar pagina 448 van het dossier. Dat betreft een “PV van bevindingen met betrekking tot informatie woningoverval Odijk/Zeist en uitgebrande Mercedes Benz A160 te België” [8] en houdt in, voor zover hier van belang dat op beelden afkomstig van een beveiligingscamera een personenauto was te zien, ten aanzien waarvan [betrokkene 7] heeft verklaard dat die auto zijn ontvreemde Mercedes Benz A160 kan zijn. Het proces-verbaal houdt niet in waar de beelden zijn gemaakt of waarvan de beelden zijn. Ook blijkt niet dat afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt van de confrontatie van [betrokkene 7] met de beelden. In het overzichtsproces-verbaal wordt ten aanzien van de diefstal van de Mercedes slechts opgemerkt dat [betrokkene 7] is geconfronteerd met beelden van de gebruikte Mercedes in Zeist en Odijk en dat hij overeenkomsten zag met zijn weggenomen Mercedes. Daarbij wordt verwezen naar p. 1882 van het dossier welke pagina betrekking heeft op het rechtshulpverzoek dat naar aanleiding van het aldaar aantreffen van de (uitgebrande) Mercedes is gedaan aan België. [9] Noch genoemd document noch de daar bij behorende stukken houden echter in dat sprake is van camerabeelden waarop bedoelde Mercedes is te zien bij de woning van [betrokkene 1] in Zeist. De rechtbank verwijst daarnaast nog naar camerabeelden gemaakt in Odijk waarop is te zien dat verdachte pint (met kennelijk de passen van [betrokkene 1] ) en naar camerabeelden gemaakt in Wekerom, waarop genoemde Mercedes Benz ook is te zien. De beelden van het pinnen in Odijk zien uiteraard niet op beelden van bij de woning van [betrokkene 1] in Zeist en Wekerom ligt blijkens een kaart op grotere afstand van Zeist dan Odijk, terwijl het bovendien beelden betreft die, gelet op de vermelde tijdstippen van 18.30 en verder, zien op een periode nadat de overval had plaatsgevonden. [10] Op die beelden kan de rechtbank en dus ook het hof niet hebben gedoeld. Bij een weliswaar globale doorzoeking van het dossier heb ik dergelijke beelden ook niet aangetroffen, noch aanwijzingen gevonden dat deze überhaupt bestaan. Een en ander betekent dat mijns inziens terecht wordt geklaagd over de overweging van het hof dat er camerabeelden zijn van bij de woning van [betrokkene 1] waarop de Mercedes is te zien, zodat de verwerping door het hof van het alternatieve scenario niet begrijpelijk is nu deze in beslissende mate steunt op die vaststelling. Dat leidt tot de conclusie dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed en de klachten a, b en c slagen.

Klacht e

28. Het voorgaande brengt mee dat ook de overweging van het hof, dat de door rechtbank gebezigde bewijsmiddelen dusdanig belastend zijn voor verdachte dat het minst genomen op zijn weg had gelegen om aan te geven waarom daaraan desondanks moet worden getwijfeld, niet begrijpelijk is, zoals in klacht e wordt gesteld. Die overweging is kennelijk in belangrijke mate gebaseerd op het feit dat die bewijsmiddelen onder meer als verklaring van getuige [betrokkene 7] inhouden, dat de auto die te zien is op de beelden bij de woning van [betrokkene 1] zijn Mercedes zou kunnen zijn, in combinatie met de vaststelling dat verdachte die auto bestuurde. Nu zoals ik hiervoor heb opgemerkt de vaststelling dát die auto bij de woning is gezien niet direct begrijpelijk is, geldt dat dus ook voor die daarop gebaseerde overweging. Klacht e slaagt ook.

Klacht d

29. Klacht d waarin wordt geklaagd dat de verwijzing van het hof naar het feit dat de verdachte tot aan het onderzoek in hoger beroep gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht in het kader van de beoordeling van het alternatieve scenario, onjuist en/of onbegrijpelijk is, kan niet tot cassatie leiden. Ik zie weliswaar – met de steller van het middel – niet in hoe het aanvankelijke beroep op het zwijgrecht bij kan dragen aan (de motivering van) de verwerping van het geschetste alternatieve scenario, maar ik lees de overwegingen anders. Deze vormt geen argument voor de verwerping van het alternatieve scenario maar bevat slechts de – feitelijk juiste – constatering dat eerder geen enkel aanknopingspunt is geboden voor het aannemen van dat alternatieve scenario. In die lezing kan de overweging verder buiten beschouwing blijven bij gebrek aan belang, nu deze de bestreden beslissing niet draagt.

Klacht f

30. Klacht f tenslotte houdt in dat het hof bij zijn verwerping van het alternatieve scenario ten onrechte een beroep heeft gedaan op de verklaring van medeverdachte [betrokkene 4] over de televisie die ze zou hebben gezien in de kofferbak van de hiervoor genoemde Mercedes, althans dat de verwijzing naar die verklaring in dat verband onbegrijpelijk is. De steller van het middel stelt terecht dat die verklaring op zich zelf niet in strijd is met de verklaring van verdachte over hoe die televisie in de auto is gekomen. Die verklaring van [betrokkene 4] houdt daaromtrent immers niets in. Dat betekent echter niet dat het hof die verklaring niet mede aan zijn verwerping van het alternatieve scenario ten grondslag heeft mogen en kunnen leggen. De waardering van het bewijs is immers voorbehouden aan de feitenrechter. In dat licht heeft het hof kunnen oordelen dat de omstandigheid dat de televisie kennelijk in de auto lag waarin de verdachte reed, terwijl bij de overval op [betrokkene 1] die dag een televisie was weggenomen, op zijn minst steun geeft aan zijn oordeel dat verdachte wel bij de overval betrokken is geweest en wel in de woning is geweest. Dat de verdachte anders heeft verklaard over hoe de televisie in de auto terecht is gekomen doet daaraan niet af. Het stond het hof immers vrij om die verklaring als niet geloofwaardig ter zijde te schuiven, hetgeen het kennelijk heeft gedaan.
31. Ten overvloede merk ik op dat het feit dat de verklaring van [betrokkene 4] niets inhoudt over hoe en door wie die televisie in de auto terecht is gekomen maakt, dat die verklaring op zich zelf onvoldoende is voor de verwerping van het alternatieve scenario. Nu ik, zoals hiervoor opgemerkt, bovendien van mening ben dat de kennelijk belangrijkste grond voor de verwerping, dat de Merceders bij de woning van [betrokkene 1] zou zijn gezien, niet zonder meer begrijpelijk is, maakt dat de verwerping van het alternatieve scenarioonvoldoende is gemotiveerd. Een en ander betekent echter niet dat de verklaring van [betrokkene 4] niet ten grondslag kan of mag worden gelegd aan die verwerping, dan wel dat het onbegrijpelijk is dat die verklaring in die zin door het hof is gebruikt.
32. De klachten a, b, c en e slagen, de klachten d en f falen. Het middels is dus grotendeels gegrond.
33. In het
vierde middelwordt geklaagd dat het hof niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de op basis van het dossier vast te stellen tijdslijn een hard alibi oplevert voor verdachte en zijn veronderstelde betrokkenheid bij de ten laste gelegde overval.
34. Gedoeld wordt op hetgeen de raadsman aan de hand van zijn ter terechtzitting op 1 september 2014 overgelegde pleitnotities heeft aangevoerd, voor zover inhoudend:
"28. (…) Zij (de rechtbank) gaat ervan uit dat de overval in de woning van [betrokkene 1] tussen 17:00 uur en 17:30 uur heeft plaatsgevonden. Maar dat kan helemaal niet. Als [verdachte] om 17:08 uur in Odijk is en om 17:30:41 uur loopt in de richting van de bank waar hij een goede minuut later de eerste pintransactie uitvoert, dan zou hij 22 minuten hebben gehad om op en neer te rijden naar Zeist en om aldaar een overval te plegen. Alleen al de reistijd van 10 minuten - dat wil zeggen: 5 minuten heen en 5 minuten terug - maakt die mogelijkheid illusoir. Ik laat dan elementaire zaken als parkeren, uitstappen en lopen - die ook allemaal tijd kosten - buiten beschouwing.
29. Volgens mij is de conclusie onontkoombaar: de veronderstelling van de rechtbank dat de overval op [betrokkene 1] tussen 17:00 uur en 17:30 uur is gepleegd, wordt door de feiten weerlegd. Die veronderstelling is niet meer geweest dan de uiting van de wens om [verdachte] voor die overval te veroordelen - hoezeer de feiten ook aantonen dat die beschuldiging onjuist is.
30. De conclusie is ook: de tijdslijn, die is gebaseerd op harde gegevens, laat zien dat [verdachte] niet bij de overval in Zeist betrokken kan zijn geweest. De verklaringen van [betrokkene 1] weerspreken de beschuldiging die in de tenlastelegging is geformuleerd en zelfs als aan die verklaringen voorbij wordt gegaan is het praktisch onmogelijk dat [verdachte] zich aan de overval in Zeist heeft bezondigd."
35. Voor hetgeen het hof (mede) daaromtrent heeft opgemerkt verwijs ik naar zijn bewijsoverweging zoals hiervoor onder punt 22 is weergegeven.
36. Het hof heeft hetgeen is aangevoerd omtrent de door de verdediging geconstrueerde tijdslijn kennelijk opgevat als een onderbouwing van het door de raadsman geschetste alternatieve scenario waarin niet verdachte maar anderen de overval hebben gepleegd en in welk scenario verdachte op de bewuste dag niet in de woning is geweest. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat dat alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden gelet op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft overwogen dat het de eerste rechter volgt in het oordeel dat afdoende is komen vast te staan dat [betrokkene 1] zich heeft vergist in het aanvangstijdstip van de overval. Dat oordeel van de rechter houdt in dat het genoegzaam vast staat dat [betrokkene 1] zich in de tijd moet hebben vergist [11] en dat de overval moet zijn gepleegd tussen 17.00 uur en 17.30 uur. Dat heeft rechtbank blijkens haar overwegingen afgeleid uit de tijdstippen waarop met de gestolen pinpassen is gepind, het moment waarop aangifte wordt gedaan alsmede de aanstraling van de masten in Odijk door de telefoon van verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [betrokkene 1] in zijn tweede verklaring reeds heeft aangegeven dat hij niet helemaal zeker was van het door hem genoemde tijdstip.
37. Het aangevoerde houdt enerzijds in dat het “helemaal niet [kan]” dat de overval tussen 17.00 uur en 17.30 uur heeft plaatsgevonden, dat de conclusie “onontkoombaar” is dat de veronderstelling van de rechtbank dat de overval op [betrokkene 1] tussen 17:00 uur en 17:30 uur is gepleegd door de feiten wordt weerlegd en de verklaringen van [betrokkene 1] weerspreken. Dat duidt op een betwisting van het oordeel van de rechtbank dat de overval tussen 17.00 en 17.30 uur is gepleegd. Anderzijds wordt ook gesteld dat het illusoir is dat verdachte in de 22 minuten die hem (blijkens de geconstrueerde tijdlijn) ter beschikking stonden tussen 17.08 uur en 17.30.41 uur voldoende tijd heeft gehad om op en neer te rijden naar Zeist om daar een overval te plegen. Als ervan wordt uitgegaan dat de overval in Zeist tussen 17.00 en 17.30 uur is gepleegd zou het praktisch onmogelijk zijn dat verdachte zich aan die overval heeft bezondigd.
38. Het hof heeft met zijn overweging dat het met de eerste rechter van oordeel is dat afdoende is komen vast te staan dat [betrokkene 1] zich heeft vergist in het aanvangstijdstip van de overval en met zijn verwijzing naar de feiten en omstandigheden waarop de rechtbank dat oordeel heeft gebaseerd, mijns inziens voldoende gemotiveerd en niet-onbegrijpelijk aangegeven waarom het de eerst genoemde stelling dat de overval niet tussen 17.00 en 17.30 uur kan zijn gepleegd, niet volgt. Voor zover het middel klaagt dat de afwijking van dat standpunt niet of onvoldoende is gemotiveerd, faalt het.
39. Het hof is echter niet expliciet ingegaan op de tweede stelling, die behelst dat als wordt uitgegaan van het door de rechtbank vastgestelde tijdstippen van de overval tussen 17.00 en 17.30 uur, het gezien de beperkte tijd die de verdachte had op en neer naar Zeist te rijden, praktisch onmogelijk is dat hij betrokken is geweest bij de overval. Het is ten eerste de vraag of het hof die stelling had moeten aanmerken als een afzonderlijk, uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarop het gehouden was te reageren. De stelling is namelijk verweven in het verweer dat de overval niet tussen 17.00 uur en 17.30 uur kan zijn gepleegd. Als de tweede stelling slechts bedoeld was ter onderbouwing van de eerste stelling was het hof reeds daarom niet gehouden tot een nadere motivering van de afwijking daarvan.
Als we naar de inhoud van het verweer kijken ligt dat echter niet voor de hand. De stelling dat de verdachte te weinig tijd zou hebben gehad om in het gestelde tijdsbestek de overval te plegen is duidelijk niet bedoeld om te betogen dat de vastgestelde tijdstippen van de overval niet kloppen, maar om (subsidiair) te betogen dat verdachte niet betrokken kan zijn geweest bij die overval. Dat verweer is mijns inziens voldoende onderbouwd, nu uiteen is gezet dat en waarom de kennelijke tijdspanne de mogelijkheid illusoir maakt dat verdachte op en neer naar Zeist is gereden om daar een overval te plegen, terwijl dat standpunt bovendien niet zo kansloos is dat zonder motivering ook volstrekt duidelijk is waarom het niet is gevolgd. Daarbij neem ik in aanmerking dat bedoeld standpunt klemmender wordt als er tevens vanuit wordt gegaan dat er geen beelden zijn van de eerder genoemde Mercedes Benz bij de woning van [betrokkene 1] in Zeist. En dat laatste sluit ik bij mijn bespreking van het derde middel, niet uit.
40. Het middel slaagt.
41. In het
vijfde middelwordt geklaagd over de strafmotivering.
42. Het bestreden arrest houdt daaromtrent in, voor zover van belang:
“Het hof heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met:
- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte van 13
oktober 2014; .
- (…)
- een trajectconsult, uitgevoerd door Verhoef, psychiater van 4 september 2012, betreffende verdachte;
(…)
Daarbij heeft het hof nog gelet op voormeld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, blijkens welk uittreksel verdachte al vele malen eerder is veroordeeld ter zake geweldsdelicten, hetgeen verdachte er niet van heeft weerhouden op één en dezelfde dag de onderhavige feiten te plegen. Het hof acht daarom oplegging van een zeer langdurige gevangenisstraf onontkoombaar.”
43. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het hof heb ik niet het in de strafmotivering genoemde uittreksel justitiële documentatie van 13 oktober 2014 aangetroffen, noch (een verslag van) de door een psychiater uitgevoerd trajectconsult van 4 september 2012. Het kennelijk (gezien de datum) reeds voorafgaand aan het vonnis van de rechtbank uitgevoerde trajectconsult wordt door de rechtbank ook niet genoemd. In het dossier bevinden zich wel uittreksels justitiële documentatie van 13 januari, 19 juni en 18 augustus 2014. De meest recente houdt wat betreft volledig afgedane zaken betreffende misdrijven in dat verdachte eerder een transactie heeft voldaan wegens overtreding van art. 321 Sr Pro (verduistering) en dat hij is veroordeeld wegens art. 3 onder Pro C Opiumwet en wegens rijden onder invloed, en nog een keer wegens rijden onder invloed. Het houdt bij de onherroepelijke veroordelingen betreffende overtredingen verder in dat hij twee keer een transactie heeft voldaan wegens de overtreding van art. 5 WVW Pro 1994. Een veroordeling wegens geweldsdelicten zie ik daarop niet staan, laat staan dat daaruit volgt dat verdachte “al vele malen eerder is veroordeeld ter zake geweldsdelicten” zoals het hof in zijn strafmotivering heeft overwogen. [12] Gelet daarop en nu de hiervoor vermelde, door het hof genoemde stukken ontbreken in het dossier terwijl de omstandigheid dat verdachte vele malen eerder is veroordeeld wegens geweldsdelicten kennelijk wel van belang is geweest bij de beslissing om een zeer langdurige gevangenisstraf op te leggen, is de strafoplegging onvoldoende, althans onbegrijpelijk, gemotiveerd. [13]
44. Het middel slaagt.
45. Het
zesde middeltenslotte bevat de klacht dat het hof ten onrechte en zonder enige motivering voorbij is gegaan aan een verweer met betrekking tot de vordering van de benadeelde partijen [betrokkene 11] en [betrokkene 12] .
46. De (zich in het dossier bevindende) formulieren van beide benadeelde partijen vermelden als één van de schadeposten “voorschot preventieve maatregelen overval minus subsidie”. Ter toelichting op die post is bij beide formulieren opgemerkt dat zij elk de helft van de totale kosten hebben opgevoerd en dat als het Schadefonds Geweldsmisdrijven onverhoopt niet een subsidie voor deze maatregelen geeft, de benadeelde partijen zich het recht voorbehouden om eventueel overige schade in een civiele procedure van de verdachte te vorderen. Voorts is ter toelichting op post 4 (vergoeding mantelzorg ouders) onder meer opgemerkt dat beide benadeelde partijen aanvankelijke niet terug durfden te gaan naar hun eigen woning omdat ze veel te bang waren voor herhaling en hun leven niet zeker waren, en dat zij pas na vier maanden, na extra preventieve maatregelen in de vorm van extra verlichting en een uitgebreidere alarminstallatie, zijn teruggegaan. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 1 september 2014 overgelegde pleitaantekeningen is onder meer namens de verdachte aangevoerd dat die post niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat deze geen betrekking heeft op schade die (rechtstreeks) door het strafbare feit is veroorzaakt.
47. Het hof heeft beide vorderingen volledig toegewezen en heeft ten aanzien van beide het volgende overwogen:
“Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolgvan het in de zaak met parketnummer 05-900998-2 onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.“
48. Op grond van art. 361 lid 2 onder Pro b Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Voor toewijzing van die vordering tot schadevergoeding komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. Daarvan is sprake als de schade een rechtstreeks gevolg is van het tenlastegelegde feit (de causaliteit) en het slachtoffer is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd (relativiteitseis). [14] Voor het recht op schadevergoeding dient vastgesteld te worden dat de schade zou zijn uitgebleven als het feit niet zou zijn gepleegd (condicio sine qua non) [15] en dat deze in redelijkheid kan worden toegerekend aan de dader. Daarnaast dient te worden vastgesteld dat het slachtoffer behoort tot de kring die door die strafbepaling wordt beschermd en dat de strafbepaling beoogt te beschermen tegen het soort schade dat is geleden. [16]
49. Het begrip rechtstreekse schade wordt in de jurisprudentie in de regel ruim uitgelegd. Zo oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel dat de kosten van een geneeskundige behandeling van de hond van het slachtoffer van een verkeersongeval die bij datzelfde ongeval verwondingen had opgelopen rechtstreekse schade oplevert, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad oordeelde gelijkluidend ten aanzien van het oordeel dat onder rechtstreekse schade kosten konden worden verstaan die door de benadeelde partij waren gemaakt om het gepleegde strafbare feit aan het licht te brengen en ten aanzien van het oordeel dat de kosten van vliegtickets voor de reis van de benadeelde partij naar Turkije ten behoeve van de begrafenis van het slachtoffer van het tenlastegelegde feit. [17] Ik wijs voorts in het bijzonder nog op het oordeel van de Hoge Raad dat kosten van de benadeelde partij om zich bij een woningstichting in te schrijven voor een woning uit de buurt van de verdachte onder het begrip ‘rechtstreekse schade’ kunnen vallen. [18]
50. Hoewel in de toelichting bij de vorderingen nauwelijks is ingegaan op de aard en omvang van de genomen preventieve maatregelen, heeft het hof gelet op het voorgaande en met name gelet op laatst genoemde uitspraak, de hier bedoelde kosten voor preventieve maatregelen zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen aanmerken als rechtstreekse schade. Daarbij wijs ik erop dat namens de benadeelde partijen is aangevoerd dat die maatregelen niet zozeer zijn genomen om mogelijke overvallen in de toekomst te voorkomen (zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd), maar om de psychische klachten als gevolg van het bewezenverklaarde feit te bestrijden. Nu namens de verdachte bovendien niet nader is toegelicht waarom geen sprake zou zijn van rechtstreekse schade en geen sprake is van een uitgebreide motiveringsverplichting in de zin van art. 359 lid 2 Sv Pro, meen ik dat het hof de toewijzing weliswaar summier, maar voldoende heeft gemotiveerd met de hiervoor weergegeven overweging.
51. Het middel faalt.
52. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
53. Het derde, vierde, en vijfde middel slagen. Het eerste en tweede middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
54. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft feit 1 van parketnummer 05/820239-13, en de strafoplegging, tot terug- of verwijzing van de zaak om deze in zoverre opnieuw te laten berechten en afdoen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Uit de bewijsoverwegingen kan niet worden afgeleid welke overvaller dat was.
2.Vgl. HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:951.
3.Nr. 62-67, 69-72 en 76-77 van de pleitaantekeningen van mr. A.A. Franken en mr. L. Koers welke zijn overgelegd ter terechtzitting van 1 september 2014.
4.Nr 16-17 van de pleitaantekeningen van mr. A.A. Franken en mr. L. Koers welke zijn overgelegd ter terechtzitting van 27 oktober 2014.
5.HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, rov 3.2.1-3.2.2.
6.Vonnis van de rechtbank, p. 18.
7.Nummer 8-47 van de ter terechtzitting van 1 september overgelegde pleitaantekeningen.
8.PV-nummer, 20120906.1157 van 6 september 2012.
9.Proces-verbaal (procesdossier) onderzoek 07TGO12008 (Mountain), p. 116-117, en stukken met betrekking tot het rechtshulpverzoek inzake verdachte e.a. p. 1882 e.v.
10.Proces-verbaal van bevindingen, PV nummer 20121010.1213, p. 640 e.v. van het dossier.
11.Blijkens het vonnis in eerste aanleg heeft [betrokkene 1] verklaard dat de overvallers rond 16.20 uur zijn woning hebben verlaten. Op dat tijdstip was verdachte in Culemborg.
12.Gezien de laatste terechtzitting in hoger beroep op 27 oktober 2014 ligt het wel voor de hand dat het hof ook nog een uittreksel van oktober 2014 tot zijn beschikking heeft gehad. Gelet op de data van de door mij wel in het dossier aangetroffen uittreksels, welke vrij kort vóór genoemde datum liggen en nu de verdachte kennelijk ten tijde van de behandeling in hoger beroep preventief gedetineerd was vanwege de onderhavige zaak, acht ik het niet aannemelijk dat er sinds de datum van het meest recente uittreksel in het dossier (18 augustus 2014) nog noemenswaardige veroordelingen zijn bijgekomen. Ik ga er daarom van uit, dat zo er wel nog een uittreksel was van 13 oktober 2014, dat deze niet alsnog vele veroordelingen bevat ter zake geweldsdelicten.
13.HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3617, HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY9286.
14.Vgl. HR 15 februari 2011, LJN BP0095; NJ 2011/94, rov. 3.2.6 en HR 22 april 2008, LJN BB7077, NJ 2008/468, rov. 4.3.
15.Vgl. Groene Serie Schadevergoeding, aant. 1.2.2 en 1.3.1 op art. 6:98 BW Pro (bijgewerkt door R.J.B. Boonenkamp tot 20 januari 2015).
16.A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., Wetboek van Strafvordering, aant, 6.2 op art. 51f (bijgewerkt door R.S.B. Kool tot 18 mei 2011).
17.HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945, HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7077en HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0180. Vgl. ook F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces (Studiepockets Strafrecht nr. 35), par. 5.4.3.
18.HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533, NJ 1999/801.