Conclusie
middelwordt geklaagd dat het hof ten onrechte althans op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan hetgeen in art. 7 WVW Pro 1994 staat beschreven. Het middel bevat daaromtrent drie klachten en voordat ik deze bespreek zal ik eerst de tekst van art. 7 Wegenverkeerswet Pro 1994 (hierna WVW 1994) weergeven.
eerste klachthoudt in dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is geweest van een verkeersongeval als bedoeld in art. 7 WVV Pro 1994.
Ten tweedewordt geklaagd over het oordeel van het hof dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat hij aan een ander letsel of schade had toegebracht.
derde klachtis gericht tegen het oordeel van het hof dat verdachte geen gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en van de identiteit van zijn motorvoertuig en tegen de verwerping van het daaromtrent gevoerde verweer.