ECLI:NL:PHR:2019:896

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2019
Publicatiedatum
17 september 2019
Zaaknummer
18/05303
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WVW 1994Art. 6 WVW 1994Art. 30 WVW 1935Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het begrip verkeersongeval en doorrijden na ongeval onder art. 7 WVW 1994

In deze zaak stond centraal of het begrip 'verkeersongeval' in de zin van artikel 7 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) ook van toepassing is wanneer sprake is van opzettelijk gedrag, zoals het doorrijden met een persoon op de motorkap van een taxi.

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en het verlaten van de plaats van een verkeersongeval nadat hij met hoge snelheid en slingeringen had gereden terwijl de aangever op zijn motorkap lag. De verdachte stelde zich onder meer op het standpunt dat er geen sprake was van een verkeersongeval in de zin van de WVW 1994 omdat er geen botsing of aanrijding had plaatsgevonden.

De advocaat-generaal concludeerde dat het hof terecht het begrip verkeersongeval ruim heeft uitgelegd, waarbij niet vereist is dat het ongeval een botsing of aanrijding is. Ook het opzet van de verdachte sluit het kwalificeren van het incident als verkeersongeval niet uit. De verklaringen van getuigen en het slachtoffer ondersteunen het oordeel dat de verdachte met opzet de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever van de motorkap zou vallen en letsel zou oplopen.

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep en bevestigt dat het verlaten van de plaats van een verkeersongeval ook strafbaar is indien sprake is van opzettelijk veroorzaakte schade binnen het brede begrip van een verkeersongeval.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte voor poging tot zware mishandeling en het verlaten van de plaats van een verkeersongeval.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/05303
Zitting12 november 2019

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 4 december 2018 door het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “poging tot zware mishandeling” en 2. “overtreding van artikel 7, eerste, lid van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren te vervangen door 75 dagen hechtenis, en waarbij de verdachte tevens de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen is ontzegd voor de duur van zes maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft een vordering van een benadeelde partij toegewezen en heeft een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
primair
hij op
of omstreeks10 februari 2017 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een personenauto (taxi)
zodanig op/tegen die [slachtoffer] is ingereden/aangereden dat deze op de motorkap terecht is gekomen en/of(
vervolgens,terwijl die [slachtoffer] zich aan het taxibord vast hield) zijn snelheid zodanig (aanzienlijk) heeft verhoogd en
/ofslingerende bewegingen heeft gemaakt
en/of heeft geremddat daardoor die [slachtoffer] op het wegdek is gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Utrecht op
/aande [a-straat] , op
of omstreeks10 februari 2017 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel
en/of schadewas toegebracht.”
4. Het
eerste middelbehelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd, aangezien het hof gebruik heeft gemaakt van de verklaring van de verdachte die niet redengevend is voor de bewezenverklaring van feit 1 en/of de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is.
4.1
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde,
waarbij ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts wordt gebezigd voor het bewijs waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft:
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage pagina 9-12 van het stamproces-verbaal), voor zover inhoudende
de op 20 februari 2017 afgelegde verklaring van [slachtoffer]-zakelijk weergegeven-:
Op 10 februari 2017 was ik samen met [betrokkene 1] in Utrecht . Ik nam samen met [betrokkene 1] een taxi. Ter hoogte van de [a-straat] te Utrecht moesten wij de taxi verlaten. Ik belandde op de motorkap van de taxi. Toen ik op de motorkap lag, hoorde ik dat de motor van de taxi hoge toeren maakte. Ik zag en voelde dat de taxi met hoge snelheid wegreed. Ik lag nog op de motorkap en probeerde mij vast te houden aan het taxibord dat boven op het dak van de taxi was bevestigd. Ik zag en voelde dat de taxi begon te slingeren, remde en weer optrok en ondertussen wisselde van rijbaan. Op dat moment reed de taxi in de richting van de [b-straat] te Utrecht . Toen de auto weer afremde of dat ik een moment zag om van de motorkap af te komen, viel ik op straat en zag dat de auto wegreed. Ik kan mij verder niets meer herinneren. In het ziekenhuis ben ik door een arts onderzocht. De arts constateerde dat ik een licht traumatisch hersenletsel had en heeft ook mijn hoofdwond gehecht. Op dit moment heb ik nog pijn aan mijn rechterelleboog, schaafwond aan mijn rechterschouder.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage pagina 13 van het stamproces-verbaal), voor zover inhoudende
de bevindingen van [verbalisant 1]-zakelijk weergegeven-:
Aangever [slachtoffer] had op verzoek van de taxichauffeur een bedrag overgemaakt naar [A] . [A] is een eenmanszaak van eigenaar [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte).
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage pagina 6-8 van het stamproces-verbaal), voor zover inhoudende
de op 21 februari 2017 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]-zakelijk weergegeven-:
Op 10 februari 2017 was ik samen met [slachtoffer] . Ik hoorde dat de motor van de taxi veel toeren maakte, ik draaide mij om en zag dat [slachtoffer] op de motorkap van de taxi lag. Ik zag dat de taxi met hoge snelheid wegreed in de richting van de [b-straat] te Utrecht . Ik zag dat [slachtoffer] zich vasthield aan het taxibordje dat op de taxi was bevestigd. Omdat de taxi hard reed en slingerde verwachtte ik dat [slachtoffer] elk moment van de motorkap af zou vallen.
Ik zag vervolgens de taxi niet meer. Ik zag vervolgens dat [slachtoffer] bij een verkeersdrempel op de grond lag. Ik zag dat [slachtoffer] op zijn rug lag met zijn beide handen onder zijn hoofd. Ik zag dat de handen van [slachtoffer] onder het bloed zaten.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage pagina 4-5 van het stamproces-verbaal), voor zover inhoudende
de op 10 februari 2017 afgelegde verklaring van [getuige]-zakelijk weergegeven-:
Ik liep op de [a-straat] . Ik zag dat een taxichauffeur een conflict had met een jongen en een meisje. Ineens kwam de jongen op de motorkap van de taxi terecht. Ik zag dat de jongen 100 tot 150 meter op de motorkap bleef liggen terwijl de taxichauffeur bleef rijden. Hierbij slingerde hij met zijn voertuig. Ik zag dat de jongen van de motorkap afviel en dat de taxi doorreed. Ik zag dat de jongen naar zijn achterhoofd greep en dat er bloed op zijn hand zat.
5. De
verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 20 november 2018, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
Er is gedoe geweest tussen aangever [slachtoffer] en mij. Als een soort Spiderman is hij op mijn auto geklommen, tot aan het dak. Ik ben stapvoets gaan rijden. Ik schrok dat hij op mijn auto zat. Ik weet niet hoe ver ik ben doorgereden. Ik heb rustig geremd, hij ging eraf en ik ben doorgereden.”
4.2
Het hof heeft zijn oordeel omtrent het bewijs als volgt nader gemotiveerd:
“Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Bij de beantwoording van de vraag wat er op de tenlastegelegde datum precies is voorgevallen, neemt het de verklaringen van verdachte, aangever [slachtoffer] , diens vriendin [betrokkene 1] en ooggetuige [getuige] als uitgangspunt.
Vast staat dat aangever, bij een incident met betrokkenheid van hem, zijn vriendin en verdachte, op enig moment op de motorkap van de taxi van verdachte is terechtgekomen. Het hof is het met de raadsvrouw van verdachte eens, dat op grond van de beschikbare verklaringen niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat dit door toedoen van verdachte is gebeurd. Niet kan worden uitgesloten dat aangever zelf, zoals verdachte stelt, op de motorkap is gesprongen. Het hof stelt vast dat getuige [getuige] en de vriendin van verdachte beiden niet hebben gezien of verdachte inderdaad op aangever is ingereden dan wel tegen hem is aangereden dan wel zelfstandig op de motorkap is terecht gekomen zoals verdachte stelt. Voor dit gedeelte van de tenlastelegging is dan ook onvoldoende bewijs voorhanden.
Anders dan de raadsvrouw, is het hof echter van oordeel dat voor de overige onderdelen van de tenlastelegging wel voldoende (overtuigend) bewijs voorhanden is. Naast aangever hebben ook de vriendin van aangever en getuige [getuige] verklaard over het rijgedrag van verdachte nadat aangever op de motorkap was beland. De vriendin van aangever heeft bij de politie verklaard dat verdachte gas gaf en flink begon te slingeren, met aangever op zijn motorkap. Getuige [getuige] heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte optrok en begon te slingeren en dat aangever zijn best moest doen om niet van de auto af te vallen. Nu de verklaringen van aangever, diens vriendin en getuige [getuige] hier op essentiële punten met elkaar overeenstemmen, acht het hof deze verklaringen in zoverre betrouwbaar. Daarbij hecht het hof in het bijzonder waarde aan de verklaring van getuige [getuige] , die weliswaar een bekende van aangever en zijn vriendin was, maar geen directe betrokkenheid bij het incident had.
Het hof acht derhalve bewezen dat verdachte is doorgereden met aangever op de motorkap van zijn taxi, dat hij zijn snelheid heeft verhoogd en slingerende bewegingen heeft gemaakt en dat aangever daardoor op het wegdek is gevallen. Gelet op die gedragingen van verdachte is het hof van oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever van de taxi af zou vallen en op het wegdek terecht zou komen en dat dit zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou kunnen hebben. De onder 1 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling acht het hof daarom bewezen.
In het verlengde van het voorgaande verwerpt het hof tevens het verweer van de raadsvrouw dat het verkeersongeval niet te wijten is geweest aan gedragingen van verdachte, zodat het hof ook tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde komt.”
4.3
Het hof heeft de bewezenverklaring van het als feit 1 primair tenlastegelegde mede doen steunen op de in bewijsmiddel 5 opgenomen verklaring van de verdachte dat hij stapvoets is gaan rijden, hij rustig heeft geremd en de aangever van het dak ging. Het hof heeft bewezen geacht dat de verdachte is doorgereden met aangever op de motorkap van zijn taxi, dat hij zijn snelheid heeft verhoogd en slingerende bewegingen heeft gemaakt en dat de aangever daardoor op het wegdek is gevallen.
4.4
De als bewijsmiddel 5 opgenomen verklaring van de verdachte is met die laatste vaststelling niet zonder meer verenigbaar. In zoverre heb ik dus enig begrip voor het standpunt van de steller van het middel, dat dit bewijsmiddel niet redengevend is voor de bewezenverklaring. Anderzijds valt tegen dat standpunt, puttend uit de ‘gereedschapskist’ die de advocaat-generaal ten dienste staat, ook wel wat in te brengen. De feitenrechter is immers in hoge mate vrij in zijn uitleg van (de bewoordingen in) een gebezigd bewijsmiddel. Zo zal hij, anders dan de steller van het middel, in de verklaring van de verdachte, voor zover die inhoudt dat de aangever ‘van het dak af ging’ niet zonder meer hebben hoeven lezen dat dit van het dak af gaan uitsluitend door het remmen van de auto was veroorzaakt. Dus, de kennelijke strekking die het hof aan de verklaring heeft willen geven is een factor van groter belang dan de steller van het middel voor ogen lijkt te staan.
4.5
Belangrijker is echter dat de cassatieklacht in het onderhavige geval in wezen neerkomt op het zoeken van spijkers op laag water. Het middel behoeft immers bij gebrek aan een wezenlijk – dus rechtens te respecteren – belang niet tot cassatie te leiden. Mede gelet op de hiervoor weergegeven overwegingen van het hof is de bewezenverklaring van feit 1 primair, als dit onderdeel van de verklaring van de verdachte wordt weggedacht, namelijk zonder meer toereikend gemotiveerd
4.6
Het middel faalt.
5. Het
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte althans op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – het verlaten van een plaats van een verkeersongeval.
5.1
Volgens de steller van het middel is de situatie ten onrechte aangemerkt als een verkeersongeval in de zin van art. 7 lid 1 WVW Pro 1994 omdat niet sprake is van een botsing, aan- of overrijding of een handeling ter voorkoming daarvan. Hetgeen de verdachte heeft gedaan is niet anders dan wanneer iemand de plaats van een ‘normale’ (zware) mishandeling verlaat, aldus de steller van het middel.
5.2
Art. 7 lid 1 WVW Pro 1994 luidt:
“Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:
a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;
b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.”
5.3
In de WVW 1994 is niet gedefinieerd wat onder een verkeersongeval moet worden verstaan. Met de invoering van de WVW 1994 is, aldus de Memorie van toelichting bij de nieuwe Wegenverkeerswet, niet bedoeld een wijziging aan te brengen ten opzichte van de tekst van art. 30 WVW Pro 1935. Dat artikel had betrekking op een botsing, aan- of overrijding dan wel een handeling ter voorkoming daarvan. In de jurisprudentie werd geen grote waarde gehecht aan dát onderscheid. [1] H.G.M. Krabbe vermoedde – al kort na de totstandkoming van de WVW 1994 – dat het wetshistorische argument niet doorslaggevend zou blijken bij de interpretatie van het begrip verkeersongeval in de WVW 1994, zoals dat ook in art. 6 WVW Pro 1994 voorkomt. [2] In het spraakgebruik wordt een ruimere interpretatie aan het begrip gegeven, die volgens de auteur bovendien meer recht doet aan de ratio van de artikelen 6 en 7 WVW 1994. Krabbe meende dat voldoende is dat het ene voorwerp of de ene persoon heftig tegen een ander voorwerp of persoon aankomt. Van een ongeval kan daarom ook sprake zijn als lading van een vrachtauto boven op een voetganger valt. Dat het begrip verkeersongeval inderdaad niet eng moet worden uitgelegd, blijkt ook uit de (latere) jurisprudentie. Zo oordeelde de Hoge Raad in HR 1 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4199,
NJ2002, 572 dat van een verkeersongeval kan worden gesproken in een situatie waarbij een verdachte zijn auto zodanig had geparkeerd dat een of meer daarop bevestigde ladders over de fietsstrook van de weg uitstaken en dat een fietser daar tegenaan is gereden. Wil sprake zijn van een verkeersongeval, moet wel aan het verkeerselement zijn voldaan. De wet stelt echter niet de eis dat het ongeval op de openbare weg heeft plaatsgevonden. De wet vereist evenmin dat bij het ongeval een motorrijtuig betrokken is geweest. Volgens Simmelink gaat het bij de etikettering van gedrag als ‘verkeer’ om het verplaatsen van personen en/of goederen al dan niet met behulp van vervoermiddelen, waarbij het openbare karakter een elementair kenmerk is. [3] Een verkeersongeval kan zich dus wel op een parkeerplaats voordoen, maar niet op het circuit in Zandvoort – hoezeer ook de kans op een botsing aldaar niet is uitgesloten. Het hangt af van de feiten en omstandigheden van het geval of aan dat verkeerselement is voldaan.
5.4
Het hof heeft bewezenverklaard dat de aangever van de auto op het wegdek is gevallen, terwijl de aangever de auto bestuurde. Deze ‘ongevalssituatie’ heeft plaatsgevonden in Utrecht op de [a-straat] . Daar leid ik uit af dat is deelgenomen aan het verkeer. Ik zie niet in waarom, gelet op de ruimere, zo men wil functionele uitleg van het begrip verkeersongeval ten opzichte van het oude begrip ‘botsing, aan- of overrijding’ enz. deze situatie niet onder het begrip verkeersongeval kan worden begrepen. Niet van belang is hoe de aangever op de motorkap is beland – wel dat hij er op enig moment daar vanaf is gevallen, en dan nog wel, naar ik begrijp, op de weg. De steller van het middel heeft in de toelichting op het middel nog betoogd dat de vrijheid en veiligheid van andere verkeersdeelnemers niet in het geding is geweest. Kennelijk, maar ten onrechte, wordt daarmee bedoeld andere personen dan de aangever, want zijn vrijheid en veiligheid was wel degelijk in het geding. Ik waag overigens te betwijfelen dat de veiligheid van andere verkeersdeelnemers niet in het geding is geweest. De aangever kwam, zo neem ik aan, voor andere weggebruikers nogal onverwacht op de weg terecht en de handelingen van de verdachte die daaraan voorafgingen – slingeren – waren ook niet van gevaar voor het verkeer op de weg ontbloot.
5.5
Dan resteert nog de vraag of het opzet van de verdachte maakt dat niet meer gesproken kan worden van een verkeersongeval. In het normaal spraakgebruik wordt ook wel van een (verkeers)ongeluk gesproken. [4] De term ongeluk suggereert dat opzet ontbreekt. Die uitleg zou met zich brengen dat het doorrijden na een opzettelijke aanrijding geen misdrijf is, terwijl het dat wel is als het opzet ontbreekt. Voor een dergelijke uitleg is een argument te ontlenen aan hetgeen Remmelink in een gedenkwaardig opstel in het tijdschrift Verkeersrecht schreef, in 1966. [5] Hij schreef daar onder meer: “Wanneer men echter
ook het helegevolg opzettelijk veroorzaakt, zodat het toeval niet of nauwelijks een rol meer speelt, verdwijnt het ongevalskarakter.” Als voorbeeld neemt hij degene die zijn vijand, die op een trottoir loopt, opzettelijk doodrijdt. Op zo iemand is, wanneer hij vlucht, art. 30 WVW Pro – de voorganger van art. 7 WVW Pro 1994 – niet van toepassing, aldus Remmelink. Het lijkt er vervolgens echter op dat hij die redenering stoelt op het, hier, en wellicht volgens hem in overwegende mate, van toepassing zijnde beginsel dat de pleger van een strafbaar feit niet behoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Ik citeer nogmaals: “Moordenaars en doodslagers worden nu eenmaal niet verondersteld zich na hun daad, b.v. door afgifte van een visitekaartje – te legitimeren.” Hier lijkt het mij dat de – overigens nog steeds zeer geëerde – auteur toch niet op het goede spoor zit. In ieder geval naar huidige inzichten, en uitgaande van de gemoderniseerde tekst van art. 7 WVW Pro 1994 zou ik hem op dit punt niet willen volgen. Nu zou men zich, in twijfelgevallen, toch eerder afvragen of nog wel sprake is van een
verkeersongeval, dus met nadruk op het al dan niet aanwezige verkeerskarakter. Een gedraging kan, hoewel die zich op de weg afspeelt, zover afstaan van wat nog onder verkeersgedrag valt te plaatsen dat niet meer is voldaan aan het geïmpliceerde verkeersaspect, zou de huidige wetsuitlegger kunnen zeggen. Maar liever nog zou ik in de door Remmelink beschreven casus vertrouwen op de filterende werking van het opportuniteitsbeginsel. [6] Voor het overige – dus als wel mede vervolgd zou worden voor het ‘ondergeschikte’ verkeersdelict – kunnen de samenloopbepalingen een – zij het beperkt – corrigerende rol spelen. Die uitkomst strookt ook, als ik het goed zie, met (de opvattingen over) de jurisprudentie. In de literatuur wordt uit HR 2 december 1986, ECLI:NL:HR:1986:AJ5420,
VR1988/36 afgeleid dat de Hoge Raad onder verkeersongeval ook verstaat het opzettelijk veroorzaken van een aanrijding. [7] Het middel klaagde niet over de bewezenverklaring van het hof dat de verdachte was doorgereden na een ongeval maar de Hoge Raad greep ook niet ambtshalve in, terwijl dat destijds wel had gekund.
5.6
Art. 7 WVW Pro 1994 strekt er toe “te voorkomen dat voor een verkeersongeval aansprakelijke personen zich onttrekken aan de gevolgen van dat ongeval, terwijl die bepaling mede erop is gericht te bevorderen dat de identiteit van de bij zo een ongeval betrokkenen en het motorrijtuig komt vast te staan om vaststelling van nog onzekere aansprakelijkheid mogelijk te maken”. [8] Gelet op doel en strekking van de bepaling meen ik dus dat het eventuele opzet van de verdachte niet tot gevolg moet hebben dat niet meer van een verkeersongeval kan worden gesproken. Het hof heeft bewezenverklaard dat de aangever van de auto op het wegdek is gevallen. Dat is volgens het hof te wijten aan het rijgedrag van de verdachte, dat bestond uit het verhogen van de snelheid en het maken van slingerende bewegingen terwijl de aangever op de motorkap van de auto lag. Het kennelijke oordeel van het hof dat dit een verkeersongeval in de zin van art. 7 lid 1 WVW Pro 1994 oplevert, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.
5.7
Het middel faalt.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.In de MvT (
2.H.G.M. Krabbe, ‘De artikelen 5 en 6. Gevaar veroorzaken, hinderen en schuld aan een verkeersongeval’, in: A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe (red.),
3.J.B.H.M. Simmelink, ‘Algemene opmerkingen over de WVW 1994’ in: A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe (red.),
4.Zie ook de definitie van ongeluk in de Van Dale.
5.J. Remmelink, Doorrijden na een ongeval art. 30 WVW Pro,
6.Vgl W. Geelhoed,
7.Conclusie plv. P‑G Fokkens 10 mei 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT5776 (de Hoge Raad heeft in deze zaak geen arrest gewezen omdat het cassatieberoep tussentijds werd ingetrokken) en conclusie A-G Spronken 8 september 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2122 voor HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3200 (de Hoge Raad deed deze zaak af met verwijzing naar art. 81 RO Pro). Vgl. J. Remmelink,
8.HR 1 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4199, NJ 2002, 572. Zie ook de MvT bij de wet waarbij deze bepaling is ingevoerd: