De verdachte werd door het Hof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier voorwaardelijk, en werd veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij vermeerderd met wettelijke rente. De benadeelde partij had zich in eerste aanleg op grond van art. 51g lid 1 Sv gevoegd en een vergoeding gevorderd inclusief wettelijke rente. De Rechtbank Maastricht kende een deel van de schadevergoeding toe, maar besloot niet over de rente. De benadeelde partij voegde zich niet opnieuw in hoger beroep.
Het Hof besloot desalniettemin de wettelijke rente toe te kennen bij de toegewezen schadevergoeding. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof dit niet had mogen doen omdat de benadeelde partij zich niet opnieuw had gevoegd in hoger beroep en de voeging van rechtswege voortduurt slechts voor het toegewezen bedrag, niet voor de rente. De rente moet opnieuw worden gevorderd. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof voor zover het de rente betrof.
Daarnaast werd het beroep van de verdachte deels gegrond verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, wat leidde tot strafvermindering. Het tweede middel, gericht op de bewijsvoering, werd verworpen. De Hoge Raad beperkte de straf en verwierp het beroep voor het overige.
De uitspraak verduidelijkt de procedurele regels omtrent de vordering van wettelijke rente door benadeelde partijen in hoger beroep en benadrukt het belang van een expliciete vordering en voeging voor het toekennen van rente.