Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
5.Beslissing
9 september 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de wettelijke rente automatisch moet worden toegekend bij een schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, ook als de benadeelde partij deze rente niet expliciet heeft gevorderd.
Het hof had de toegewezen schadevergoedingen aan de benadeelde partijen vermeerderd met wettelijke rente vanaf specifieke data tot de dag van volledige voldoening. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte heeft beslist dat de rente vergoed moet worden indien deze niet was gevorderd. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie (HR 11 november 2000).
Tegelijkertijd benadrukte de Hoge Raad dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel inclusief wettelijke rente binnen de discretionaire bevoegdheid van de strafrechter valt. De wettelijke rente is ingevolge artikel 6:83 BW Pro verschuldigd vanaf het moment dat de schade is ingetreden, zonder dat ingebrekestelling vereist is.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor zover het hof de rente vergoed had zonder dat deze was gevorderd, maar verwierp het beroep voor het overige. De strafrechter mag de rente bij de schadevergoedingsmaatregel betrekken als onderdeel van het schadebedrag.
Deze uitspraak verduidelijkt de verhouding tussen civielrechtelijke rentevorderingen en de strafrechtelijke schadevergoedingsmaatregel onder art. 36f Sr, en bevestigt dat de strafrechter de wettelijke rente kan opleggen als onderdeel van de betalingsverplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover wettelijke rente werd toegekend zonder vordering, maar bevestigt dat wettelijke rente onderdeel is van de schadevergoedingsmaatregel op grond van art. 36f Sr.