Voetnoten
2.Deze rwzi is een onbemand station, zie p. 2 van het proces-verbaal van het ter zitting van het Hof verhandelde.
3.De heffingsambtenaar van het Gemeenschappelijke Belastingkantoor Oost Nederland (Locosensus-Tricijn).
4.De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven.
5.Rechtbank Overijssel 23 juli 2013, nr. AWB ZWO 12/1632, niet gepubliceerd. Met ingang van 1 april 2013 is de Splitswet (Wet van 20 december 2012,
6.Artikel 20, lid 9, van de Gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijk belastingkantoor Locosensus‑Tricijn 2014 luidt: “Het dagelijks bestuur oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit welke bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet waardering onroerende zaken, de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn toegekend aan de Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingdienst en de directeur, respectievelijk het college van de deelnemers.”
7.De citaten in onderdeel 3 van deze conclusie zijn zonder noten.
8.Wet van 6 juni 1991, houdende regels met betrekking tot de waterschappen,
9.Wet van 13 november 1969, houdende regelen omtrent de verontreiniging van oppervlaktewateren,
10.Zie de totstandkomingsgeschiedenis bij de zuiveringsheffing als aangehaald in onderdeel 4.11 e.v. hierna.
11.Noot IJzerman: bij de Wet modernisering waterschapsbestel is het begrip ‘afvoeren’ in de Wvo vervangen door het begrip ‘lozen’. Het begrip ‘afvoeren’ werd opgenomen in de zuiveringsheffing. Hiermee werd uitdrukking gegeven aan de overheveling van het waterzuiveringsaspect van de verontreinigingsheffing naar de Waterschapswet (zie onderdeel 4.11 hierna).
12.Wet van 21 mei 2007 tot wijziging van de Waterschapswet en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in verband met de modernisering en vereenvoudiging van de bestuurlijke structuur en de financieringsstructuur van waterschappen (Wet modernisering waterschapsbestel),
16.Noot IJzerman: met ingang van 22 december 2009 is de Wvo ingetrokken en opgegaan in de Waterwet (Wet van 29 januari 2009, houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen,
25.Noot IJzerman: zie 4.24 hierna.
27.Noot IJzerman: artikel 10.33, lid 1, van de Wet milieubeheer luidde ten tijde van ondertekening van de verordening op 27 november 2009: “1. De gemeenteraad of burgemeester en wethouders dragen zorg voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater dat vrijkomt bij de binnen het grondgebied van de gemeente gelegen percelen, door middel van een openbaar vuilwaterriool naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.” Artikel 15a, lid 1, van de Wvo luidde destijds: “1. Zuivering van stedelijk afvalwater geschiedt in een inrichting voor de zuivering van rioolwater in beheer bij een waterschap dan wel in exploitatie bij een rechtspersoon die door het bestuur van het waterschap met die zuivering is belast.”
28.Hoge Raad 30 mei 1985, nr. 22 401,
29.Noot IJzerman: ik vermoed dat bedoeld zal zijn: grief.
30.Hoge Raad 16 maart 1988, nr. 25 094,
31.Hoge Raad 31 mei 1989, nr. 25 022,
32.Hoge Raad 7 februari 1990, nr. 26 377,
34.Vakstudie Lokale belastingen en milieuheffingen, aantekening 3.2 bij artikel 122c van de Waterschapswet.
35.Aantekening 4.2 bij artikel 122c van de Waterschapswet.
36.Aantekening 5.2 bij artikel 122c van de Waterschapswet.
37.V.M. Anches e.a., ‘Titel IV: De financiën van het waterschap’, in: H.J.M. Havekes en W.J. Wensink (red.),
38.P. de Bruin, ‘Fouten en omissies in de belastingbepalingen in de vernieuwde Waterschapswet: een artikelsgewijs commentaar (II)’, Belastingblad 2008/403. De Bruin vond de bepalingen betreffende zuiveringsheffing als geformuleerd in de Waterschapswet ‘niet transparant, herkenbaar, robuust en eenvoudig’. Anders: P. van den Berg en R.J.J. Lazeroms, ‘De modernisering van het belastingstelsel van de waterschappen’, WFR 2007/636, die concludeerden dat ‘'[a]l met al kan worden vastgesteld dat het belastingstelsel van de waterschappen met deze wetswijziging in belangrijke mate is vereenvoudigd en aangepast aan de eisen van deze tijd. Het summum van een stelsel dat in alle opzichten volledig voldoet aan de uitgangspunten van rechtvaardigheid, doelmatigheid, eenvoud en juridische kwetsbaarheid is wellicht nog niet helemaal bereikt. Maar geldt dat niet voor elke belasting?”
39.E.I. van den Bos-Boomsma, A. van der Hoogt en J.E. Hulshof, ‘Het heffingsstelsel: de vervuiler betaalt’, in: A.P. van den Berge e.a. (red.),
40.J. Schuurman,
41.G.J. van Leijenhorst en J.K Lanser
42.Zie de totstandkomingsgeschiedenis van de zuiveringsheffing (Wet modernisering waterschapsbestel) als geciteerd in 4.11 e.v.
43.Hierna zijn genoemde artikelen afkomstig van de Waterschapswet, tenzij anders vermeld.
44.Zie 4.12 en 4.27.
45.Zie 4.20.
46.Zie 4.29.
47.Zie 4.16.
48.Zie 4.25.
49.Zie 4.16.
50.Zie 4.26.
51.De hoeveelheid van een limitatieve lijst scheikundige elementen die gezuiverd moeten worden staat namelijk in artikel 122f, lid 2, letters b tot en met f, vermeld, evenals de hoedanigheid, want die is gegeven door de aanwezigheid van één of meer van die scheikundige elementen in de afgevoerde stoffen. Datzelfde geldt voor letter a, al gaat het daar om de vraag hoeveel zuurstof nodig is om de afgevoerde stoffen die slechts met behulp van zuurstof kunnen worden afgebroken, daadwerkelijk af te breken. De letters b tot en met f hebben vooral betrekking op afvalwater dat afkomstig is van bedrijven, in het bijzonder de industrie. Letter a slaat vooral op huishoudelijk afvalwater, dat in hoofdzaak is vervuild met organische stoffen, zie Van Leijenhorst en Lanser 2013, p. 573. Volgens de wetgever van de oorspronkelijke Wvo wordt de vervuiling voor het grootste deel door huishoudens veroorzaakt, zie
52.Zie punt 16 van de motivering van belanghebbendes hogerberoepschrift, waar zij schrijft: “Verder is ook niet alle Urean 30 die in de riolering terecht is gekomen, ook in de RWZI geëindigd. Een deel van de Urean 30 is in een zijtak van het hoofdriool terecht gekomen. Cliënte heeft er vervolgens voor gezorgd dat dit Urean 30 uit het riool is gepompt en door middel van vrachtwagens is afgevoerd naar mestputten van boeren in de omgeving.” De heffingsambtenaar heeft niet weersproken dát een deel van de afgevoerde mestvloeistof de rwzi niet heeft bereikt; hij heeft alleen de omvang van dat deel betwist.
53.Op p. 7 van zijn verweerschrift in hoger beroep schreef de heffingsambtenaar: “Belanghebbende presenteert een tabel waaruit blijkt dat van de 1.278,37 m3 die op de riolering geloosd is, ruim de helft (715 m3) door haar uit het riool is gepompt en afgevoerd. Hoewel dit voor de hoogte van de heffing niet relevant is, omdat daarvoor maatgevend is hoeveel er op de riolering geloosd is, wijs ik erop dat dit getal volstrekt bezijden de waarheid is. De aanvullende informatie voor het bezwaarschrift die belanghebbende d.d. 7 januari 2011 verstrekte, geeft een heel ander beeld.”