Belanghebbende, gebruiker van een onroerende zaak met opslagtanks, kreeg een aanslag zuiveringsheffing opgelegd na een calamiteit waarbij Urean30, een stikstofhoudende vloeibare meststof, uit beschadigde tanks in het riool en de RWZI terechtkwam.
Na vernietiging van een eerdere aanslag aan een andere rechtspersoon, handhaafde de rechtbank de aanslag aan belanghebbende, die vervolgens hoger beroep instelde. Het Hof onderzocht onder meer de grondslag voor heffing bij calamiteiten, de juistheid van de gehanteerde hoeveelheid vervuilingseenheden, en de vraag of onzorgvuldig handelen van het Waterschap tot vermindering van de aanslag moest leiden.
Het Hof oordeelde dat de zuiveringsheffing ook bij calamiteiten van toepassing is, dat het begrip 'afvoeren' niet afhankelijk is van een wilsbesluit, en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat afsluiters onrechtmatig waren geopend. Ook was de heffing niet onredelijk hoog en was het tarief passend. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.