AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bewijsaanbod in hoger beroep ten onrechte gepasseerd bij geschil over erfgrens
In deze zaak staat de vraag centraal waar de erfgrens ligt tussen de percelen van eiser en verweerders te Heumen, naar aanleiding van een ruilovereenkomst van 16 juni 2000 en de daarop gebaseerde notariële akte van 10 november 2000. Partijen zijn het oneens over de exacte ligging van het tweede meetpunt dat de nieuwe erfgrens bepaalt.
Na diverse procedures bij de rechtbank en het gerechtshof, waarbij getuigen werden gehoord en plaatsopnemingen plaatsvonden, heeft het hof bij het eindarrest van 24 juni 2014 de vonnissen van lagere instanties vernietigd voor zover deze de erfgrens en de kadastrale inmeting betroffen. Het hof stelde hoge eisen aan het bewijsaanbod van eiser in hoger beroep, met name dat hij zeer concreet en nauwkeurig moest toelichten wat nieuwe getuigen over het probandum zouden verklaren.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuiste maatstaven heeft gehanteerd bij de beoordeling van het bewijsaanbod in hoger beroep. Volgens vaste rechtspraak moet een bewijsaanbod in hoger beroep voldoende specifiek zijn, maar mag niet worden geëist dat wordt toegelicht wat nieuwe getuigen precies zullen verklaren. Het hof mocht ook niet op grond van de inhoud van reeds afgelegde verklaringen het bewijsaanbod afwijzen. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.
Voetnoten
1.Voor zover in cassatie van belang. Zie rov. 2 van het arrest van 26 juni 2012 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem in verbinding met het vonnis van de rechtbank Arnhem van 25 november 2009, rov. 1.1-1.6.
2.Ontleend aan rov. 1 van het vonnis van 19 augustus 2009, p. 1 van het vonnis van 25 november 2009 en p. 1 van het vonnis van 3 november 2010 van de rechtbank Arnhem, rov. 1 en 2 van het arrest van 29 maart 2011, rov. 1 van het arrest van 26 juni 2012, 30 oktober 2012, 8 oktober 2013 en 24 juni 2014 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.
3.De broer en (toenmalige) schoonzus van [verweerster 2] , zie rov. 2.4 van het arrest van 24 juni 2014 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
4.De letters zijn afkomstig uit veldwerk 756, een door een landmeter van het kadaster naar aanleiding van een aanwijs op 4 juli 2003 opgemaakt veldwerk, waarbij tussen partijen geen overeenstemming is bereikt. Dit veldwerk is aan het vonnis van 25 november 2009 gehecht.
5.De eerder bevolen plaatsopneming heeft kennelijk niet plaatsgevonden.
6.Van de zes opgeroepen getuigen zijn er drie verschenen (p. 1 van het proces-verbaal van getuigenverhoor gehouden op 2 mei 2013).
7.De cassatiedagvaarding is op 24 september 2014 uitgebracht.
8.In het procesdossier van [verweerder 1] is bij nr. 3 slechts het voorblad van de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie gevoegd. De reacties op ‘het proces-verbaal van comparitie van partijen ter plaatste van 4 september 2012’ van 20 en 21 september 2012 van beide partijen zoals vermeld in het arrest van 30 oktober 2012 ontbreken in beide dossiers. In het procesdossier van [eiser] ontbreekt nr. 35 (de conclusie van antwoord in cassatie), terwijl in het partijdossier van [verweerder 1] nr. 37 (de schriftelijke repliek van [eiser] van 8 mei 2015) ontbreekt.
9.Zie de rov. 2.2 en 2.3 van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2014.
10.Zie rov. 2.1 en 2.5 van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 oktober 2013.
11.Zie rov. 2.3 van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2014.
12.Zie de in cassatie niet bestreden eerste volzin van rov. 2.5 van het eindarrest.
13.Zie o.m. rov. 2.1 van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 oktober 2013.
14.Zie onder meer HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF8839, NJ 2004/197, rov. 3.17 en HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9860, JBPR 2011/43, m.nt. H.L.G. Wieten, rov. 3.4.3. Zie over het aanbod tot het leveren van aanvullend tegenbewijs HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7677, NJ 2005/268, rov. 3.3, herhaald in HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178, NJ 2007/575, rov. 3.6.2. 15.HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270, m.nt. W.D.H. Asser, herhaald in HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3262, NJ 2015/343, m.nt. T. Hartlief, rov. 4.13; HR 11 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9624, NJ 2011/123, rov. 3.4; HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9991, NJ 2011/512, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.7; HR 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8766, NJ 2013/261, rov. 3.7; HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3075, NJ 2014/485, rov. 3.3.2 en HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009, rov. 3.5. Vgl. ook HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2492, NJ 1998/657, m.nt. W.M. Klein, rov. 3.7 en HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5804, NJ 2011/138, rov. 4.3 betreffende het opnieuw horen van een partijgetuige die in hoger beroep die hoedanigheid niet meer heeft. 18.Zie ook Asser Procesrecht/Asser 3, 2013/221 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/210.