ECLI:NL:HR:2013:BZ8766
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ontbindingsovereenkomst wegens dwaling en bedrog afgewezen
Bruscom vordert vernietiging van een ontbindingsovereenkomst met [verweerder] wegens dwaling of bedrog, en daarnaast restitutie van een vergoeding en schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen. De overeenkomst van 6 januari 2000 hield onder meer in dat [verweerder] zijn optierechten niet zou uitoefenen tegen een vergoeding van NLG 3.850.000,--. Bruscom baseert haar vorderingen op valselijk gerapporteerde bedrijfsresultaten door [verweerder], die de overeenkomst mede zouden hebben beïnvloed.
De rechtbank wees de vorderingen af, en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof achtte voorshands bewezen dat [verweerder] instructies gaf tot onjuiste invulling van voortgangsformulieren en dat onjuiste omzetgegevens in de saldibalans 1999 waren verwerkt. [Verweerder] mocht tegenbewijs leveren, onder meer dat de concernleiding van Bruscom op de hoogte was van de werkelijke omzetontwikkeling. Dit tegenbewijs slaagde, mede doordat Bruscom geen contra-enquête voerde.
Bruscom stelde dat zij alsnog bewijs mocht leveren van haar stelling dat zij de overeenkomst onder een onjuiste voorstelling van zaken is aangegaan. De Hoge Raad oordeelt dat dit bewijsaanbod betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex als het reeds toegelaten tegenbewijs en dat Bruscom voldoende gelegenheid heeft gehad tot bewijslevering. Daarom is het hof niet verplicht Bruscom nader bewijs toe te laten. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vernietiging van de ontbindingsovereenkomst wegens dwaling of bedrog wordt afgewezen.